|
Evangelie naar Johannes |
1:1 In het begin was het Woord. Het Woord was dichtbij God en het Woord was God. 2 Dit was in het begin dichtbij God. 3 Alles ontstond door Hem en zonder Hem ontstond niets dat ontstaan is. 4 In Hem was leven en het leven was het licht van de mensen. 5 En het licht schijnt in de duisternis en de duisternis pakte het niet. 6 Er kwam iemand, door God gestuurd, en hij heette Johannes. 7 Hij kwam als getuige om te getuigen van het licht, zodat iedereen door hem zou geloven. 8 Hij was het licht niet, maar hij was er om van het licht te getuigen. 9 Het echte licht kwam in de wereld en verlicht alle mensen. 10 Hij was in de wereld en de wereld ontstond door Hem, maar de wereld kende Hem niet. 11 Hij kwam tot degenen die bij Hem hoorden, maar ze aanvaardden Hem niet. 12 Maar die Hem aanvaardden, aan hen werd gezag gegeven om kinderen van God te worden, aan hen die in zijn naam geloven. 13 Zij zijn niet uit bloed geboren, evenmin door de wil van het vlees of door de wil van een man, maar uit God. 14 En het Woord werd vlees en woonde bij ons. Wij zagen zijn glorie, een glorie als van een eniggeborene van de Vader, vol van genade en waarheid. 15 Johannes getuigde van Hem en heeft geroepen: “Hij is degene van wie ik zei: Die na mij komt heeft voorrang boven mij, want Hij was er eerder dan ik.” 16 En uit zijn volheid heeft iedereen van ons genade op genade ontvangen. 17 De wet werd door Mozes gegeven, de genade en de waarheid zijn door Jezus de Gezalfde gekomen. 18 Niemand heeft ooit God gezien. De eniggeboren Zoon, die in de schoot van de Vader is, is degene die Hem bekend maakt.
19 En dit is het getuigenis van Johannes toen de Judeërs uit Jeruzalem priesters en Levieten naar hem toe stuurden om hem te vragen: “Wie bent u?” 20 Hij gaf eerlijk antwoord en verzweeg de waarheid niet. Hij zei eerlijk: “Ik ben niet de Gezalfde.” 21 Zij vroegen hem: “Bent u dan Elia?” Maar hij zei: “Dat ben ik niet.” “Bent u de profeet?” En hij antwoordde: “Nee.” 22 Zij zeiden tegen hem: “Wie bent u dan? Dan kunnen we een antwoord geven aan die ons gestuurd hebben. Wat zegt u van uzelf?” 23 Hij zei: “Ik ben de stem van iemand die roept in de woestijn: Maak de weg van de Heer gereed, zoals Jesaja de profeet zei.” 24 Degenen die door de Farizeeën gestuurd waren 25 vroegen hem: “Waarom doopt u als u de Gezalfde niet bent en ook niet Elia of de profeet?” 26 Johannes antwoordde hen: “Ik doop in water. Tussen jullie staat iemand die jullie niet kennen, 27 en die na mij zal komen. Ik ben het niet waard zijn sandaalriem los te maken.” 28 Dit gebeurde in Bethanië aan de overkant van de Jordaan waar Johannes bezig was met dopen.
29 De volgende ochtend zag hij Jezus naar hem toekomen, en hij zei: “Kijk, het Lam van God, dat de zonde van de wereld wegdraagt. 30 Hij is degene over wie ik zei: ‘Na mij komt iemand, die voorrang op mij krijgt, want Hij was er eerder dan ik.’ 31 Ik kende Hem ook niet. Maar om Hem aan Israël te laten zien, daarom kwam ik om te dopen in water.” 32 Johannes getuigde en zei: “Ik heb de Geest als een duif vanuit de hemel zien neerdalen en op Hem blijven. 33 Ik kende Hem ook niet, maar degene die mij heeft gestuurd om in water te dopen zei tegen mij: ‘Op wie je de Geest ziet neerdalen en op Hem blijven, dat is degene die doopt in de Heilige Geest.’ 34 En ik heb gezien en getuigd dat Hij de Zoon van God is.”
35 De volgende ochtend stond Johannes [daar] opnieuw met twee van zijn leerlingen. 36 En toen hij Jezus zag lopen, zei hij: “Kijk, het Lam van God.” 37 Toen de twee leerlingen hem dat hoorden zeggen, volgden ze Jezus. 38 Maar toen Jezus zich omkeerde en hen zag volgen zei Hij tegen hen: “Wie zoeken jullie?” En zij zeiden: “Rabbi (wat vertaald wordt met leraar), waar woont U?” 39 Hij zei tegen hen: “Kom en jullie zullen het zien.” Zij kwamen en zagen waar hij woonde. Ze bleven die dag bij Hem. Het was het tiende uur. 40 Andreas, de broer van Simon Petrus, was een van de twee die het van Johannes gehoord hadden en Hem volgden. 41 Hij vond eerst zijn eigen broer Simon en zei tegen hem: “Wij hebben de Messias (vertaald Gezalfde) gevonden.” 42 En hij leidde hem naar Jezus. Toen Hij hem zag, zei Jezus: “Jij bent Simon, de zoon van Johannes. Je zal Kefas worden genoemd”, wat vertaald wordt met Petrus. 43 De volgende ochtend wilde Hij op reis gaan naar Galilea en Hij vond Filippus. En Jezus zei tegen hem: “Volg Mij.” 44 Filippus was uit Betsaida, de stad van Andreas en Petrus. 45 Filippus vond Nathanaël en zei tegen hem: “Wij hebben gevonden over wie geschreven is in de wet van Mozes en in de profeten, Jezus, de zoon van Jozef, uit Nazaret.” 46 Nathanaël zei tegen hem: “Kan wat uit Nazaret komt, goed zijn?” Filippus zei tegen hem: “Kom en je zult het zien.” 47 Jezus zag Nathanaël naar Hem toe komen en zei over hem: “Kijk, dat is echt een Israëli waarin geen bedrog is.” 48 Nathanaël zei tegen Hem: “Waar kent U mij van?” Jezus antwoordde hem: “Voordat je door Filippus geroepen werd, zag Ik je onder de vijgenboom.” 49 Nathanaël antwoordde hem: “Rabbi, U bent de Zoon van God, U bent de koning van Israël.” 50 Jezus antwoordde hem: “Omdat Ik zei dat Ik je zag onder de vijgenboom, geloof je? Je zult grotere dingen zien. 51 Absoluut zeker, Ik zeg jullie, jullie zullen de hemel geopend zien, en de engelen van God omhoog en omlaag zien gaan op de Mensenzoon.”
2:1 En op de derde dag was er een bruiloft in Kana in Galilea, en de moeder van Jezus was daar. 2 En ook Jezus en zijn leerlingen waren op de bruiloft uitgenodigd. 3 En toen er wijn ontbrak, zei de moeder van Jezus tegen Hem: “Zij hebben geen wijn.” 4 Jezus zei tegen haar: “Mevrouw, wat hebben Ik en u [daar mee te maken]? Mijn uur is nog niet gekomen.” 5 Zijn moeder zei tegen de dienaren: “Doe wat Hij jullie ook zegt.” 6 Nu waren er daar zes stenen watervaten, bestemd voor de reiniging van de Judeërs, met een inhoud van twee à drie metreten. 7 En Jezus zei tegen hen: “Vul de watervaten met water.” En ze vulden ze tot de rand. 8 Toen zei Hij tegen hen: “Schep nu water en breng het naar de leider.” En zij brachten het. 9 De leider proefde van het water dat wijn geworden was. Hij wist niet waar het vandaan kwam, maar de dienaren, die het water geschept hadden, wisten het. En de leider riep de bruidegom 10 en zei tegen hem: “Iedereen presenteert eerst de goede wijn, en als ze goed gedronken hebben de mindere. U hebt de goede wijn tot nu toe bewaard.” 11 Dit eerste wonderteken deed Jezus in Kana in Galilea en Hij liet zijn glorie zien. De leerlingen geloofden in Hem. 12 Daarna daalde Hij met zijn moeder en broers en met zijn leerlingen af naar Kafarnaüm en bleven daar niet veel dagen.
13 En het Pascha van de Judeërs was dichtbij en Jezus reisde bergopwaarts naar Jeruzalem. 14 In de tempel trof Hij verkopers aan die runderen, schapen en duiven verkochten, en de geldwisselaars die daar zaten. 15 En nadat Hij van touw een zweep had gemaakt, verdreef hij iedereen met schapen en runderen uit de tempel, gooide het geld van de wisselaars op de grond en keerden hun tafels ondersteboven. 16 En Hij zei tegen de duivenverkopers: “Draag alles hier vandaan. Maak niet van het huis van mijn Vader een huis van koopwaar.” 17 Zijn leerlingen herinnerden zich, dat van Hem geschreven was: “De ijver voor uw huis heeft Mij totaal in beslag genomen.” 18 De Judeërs zeiden daarna tegen Hem: “Wat voor wonderteken laat U zien dat U dit zou mogen doen?” 19 Jezus antwoordde hen: “Breek dit heiligdom af en Ik zal het in drie dagen oprichten.” 20 Toen zeiden de Judeërs: “Zes en veertig jaar werd over dit heiligdom gebouwd en U bouwt het in drie dagen weer op?” 21 Maar Hij had het over het heiligdom van zijn lichaam. 22 Toen Hij later uit de doden was opgewekt, werden zijn leerlingen eraan herinnerd dat dit gezegd was en zij geloofden het Geschrift en het woord dat Jezus gezegd had. 23 Toen Hij echter op het Paschafeest in Jeruzalem was, hadden veel mensen vertrouwen in zijn naam, toen ze zijn wondertekens zagen. 24 Maar Jezus vertrouwde zich niet aan hen toe omdat Hij ze allemaal kende, 25 en omdat het niet nodig was dat iemand over de mens getuigde, want Hij wist wat in de mens was.
3:1 En er was iemand, een Farizeeër, die Nicodemus heette, een leider van de Judeërs. 2 Hij kwam ’s nachts naar Hem toe en zei tegen Hem: “Rabbi, wij weten dat U van God gekomen bent als leraar, want niemand kan de wondertekens doen die U doet als God niet met hem is.” 3 Jezus antwoordde hem: “Volstrekt zeker, Ik zeg u: Als iemand niet van boven geboren is kan hij het koninkrijk van God niet zien.” 4 Nicodemus zei tegen Hem: “Hoe kan iemand die oud is, geboren worden? Hij kan geen tweede keer in de buik van zijn moeder binnenkomen en geboren worden.” 5 Jezus antwoordde: “Vast en zeker, Ik zeg u, als iemand niet geboren is uit water en Geest, kan hij het koninkrijk van God niet binnengaan. 6 Wie uit het vlees geboren is, is vlees, en wie uit de Geest geboren is, is geest. 7 Je zou je er niet over moeten verbazen dat Ik zei: ‘U moet van boven geboren worden.’ 8 De Geest blaast waarheen Hij wil en je hoort zijn geluid, maar je ziet niet waar Hij vandaan komt of waar Hij heen gaat. Zo is iedereen die uit de Geest geboren is.” 9 Nicodemus antwoordde Hem: “Hoe kan dat gebeuren?” 10 Jezus antwoordde hem: “U bent een leraar van Israël en u weet dat niet? 11 Vast en zeker zeg Ik u: Wij spreken over wat wij weten, en getuigen over wat wij gezien hebben, en jullie nemen ons getuigenis niet aan. 12 Als Ik over aardse dingen spreek en jullie geloven niet, hoe zullen jullie geloven als Ik over het bovenhemelse spreek? 13 En niemand is opgestegen naar de hemel dan de Mensenzoon die uit de hemel neerdaalde. 14 En zoals Mozes de slang in de wildernis verhoogde, zo moet de Mensenzoon verhoogd worden, 15 zodat iedereen die in Hem gelooft eeuwig leven heeft. 16 Want God hield zoveel van de wereld dat Hij zijn eniggeboren Zoon gaf, zodat iedereen die in Hem gelooft niet verloren gaat maar eeuwig leven heeft. 17 Want God stuurde zijn Zoon niet naar de wereld om de wereld te oordelen, maar om de wereld door Hem te redden. 18 Wie in Hem gelooft wordt niet geoordeeld, maar wie niet gelooft is al veroordeeld, omdat hij niet gelooft in de naam van de eniggeboren Zoon van God. 19 Want dit is het oordeel, dat het licht in de wereld is gekomen en de mensen meer van de duisternis hielden dan van het licht, want hun daden waren slecht. 20 Want iedereen die slechte dingen doet haat het licht, en komt niet naar het licht, om te voorkomen dat zijn daden bekritiseerd worden. 21 Maar wie de waarheid doet komt naar het licht, zodat van zijn daden zichtbaar wordt dat ze in God zijn gedaan.”
22 Daarna kwam Jezus en zijn leerlingen in het land Judea en bracht daar tijd met hen door en doopte. 23 Johannes doopte ook, in Enon in de buurt van Salim omdat daar veel water was. Er kwamen veel mensen en ze werden gedoopt. 24 Johannes was namelijk nog niet in de gevangenis geworpen. 25 Er ontstond een discussie tussen de leerlingen van Johannes met de Judeërs over de reiniging. 26 En ze kwamen naar Johannes en zeiden tegen hem: “Rabbi, die met u aan de overkant van de Jordaan was en over wie u hebt getuigd, kijk, Hij doopt en iedereen gaat naar Hem toe.” 27 Johannes antwoordde: “Niemand kan iets aannemen als het hem niet vanuit de hemel gegeven is. 28 Jullie getuigen van mij dat ik gezegd heb dat ik niet de Gezalfde ben, maar degene die voor Hem uit gestuurd is. 29 Degene die de bruid heeft is de bruidegom, maar de vriend van de bruidegom is er bij en hoort Hem en is heel blij door de stem van de bruidegom. Daarom ben ik helemaal blij geworden. 30 Hij moet groeien, maar ik moet minder worden. 31 Hij die van boven komt, staat boven iedereen. Hij die van beneden komt, is aards en spreekt uit de aarde. Die uit de hemel komt is boven iedereen. 32 Wat Hij gezien en gehoord heeft, daar getuigt Hij van, maar niemand neemt zijn getuigenis aan. 33 Wie het getuigenis aanvaardt, bevestigt dat God volledig waar is. 34 Want wie door God gestuurd is, spreekt de woorden van God, want Hij geeft de Geest niet beperkt. 35 De Vader houdt van de Zoon en heeft alles in zijn hand gegeven. 36 Wie in de Zoon gelooft, heeft eeuwig leven, maar wie de Zoon niet gehoorzaamt, zal het leven niet zien, maar God zal boos op hem blijven.”
4:1 Toen Jezus te weten kwam dat de Farizeeën hoorden dat Jezus meer leerlingen maakte en doopte dan Johannes, 2 (hoewel Jezus niet zelf doopte, maar zijn leerlingen) 3 vertrok Hij uit Judea en ging opnieuw naar Galilea. 4 Maar Hij moest door Samaria gaan. 5 Hij kwam toen in een stad van Samaria die Sichar heette in de buurt van het gebied dat Jakob aan zijn zoon Jozef gaf. 6 Daar was ook de bron van Jakob en Jezus die vermoeid was van de reis zat omstreeks het zesde uur bij de bron. 7 Er kwam een Samaritaanse vrouw water putten en Jezus zei tegen haar: “Geef Mij te drinken.” 8 Want zijn leerlingen waren naar de stad gegaan om voedsel te kopen. 9 De Samaritaanse vrouw zei toen tegen Hem: “Hoe kan een Judeër van mij, een Samaritaanse vrouw, drinken vragen?” Want de Judeërs gaan niet om met de Samaritanen. 10 Jezus antwoordde haar: “Als u het geschenk van God kende en zou weten wie tegen u zegt: ‘Geef Mij te drinken’, dan vroeg u het aan Hem en Hij zou u levend water geven.” 11 De vrouw zei: “Heer, U heeft niets om mee te putten en de bron is diep, hoe komt U dan aan levend water? 12 Bent U dan groter dan onze vader Jakob, die ons de bron gaf? Hij dronk er zelf uit met zijn zonen en zijn kudde.” 13 Jezus antwoordde haar: “Iedereen die van dit water drinkt zal weer dorst hebben, 14 maar wie drinkt van het water dat Ik hem zal geven, zal in eeuwigheid geen dorst hebben, want het water dat Ik hem zal geven, zal een bron van water binnen in hem worden, dat opspringt tot in het eeuwige leven.” 15 De vrouw zei tegen Hem: “Heer, geef mij dit water, zodat ik geen dorst heb en hier niet moet komen putten.” 16 Hij zei tegen haar: “Ga, roep uw man en kom hier.” 17 De vrouw antwoordde Hem: “Ik heb geen man.” Jezus zei tegen haar: “U zei terecht: ‘Ik heb geen man’, 18 want u hebt vijf mannen gehad en die u nu hebt is uw man niet. Dat hebt u terecht gezegd.” 19 De vrouw zei tegen hem: “Heer, ik besef dat U een profeet bent. 20 Onze voorvaders hebben op deze berg aanbeden, en jullie zeggen dat Jeruzalem de plaats is voor aanbidding.” 21 Jezus zei tegen haar: “Mevrouw, geloof Mij, het uur komt dat jullie niet op deze berg of in Jeruzalem de Vader zullen aanbidden. 22 Jullie aanbidden wie je niet gekend hebt; wij aanbidden wie we gekend hebben, want de redding komt vanuit de Judeërs. 23 Maar het uur komt en is er nu al, dat de echte aanbidders de Vader in geest en in waarheid zullen aanbidden, want de Vader zoekt zulke aanbidders. 24 God is Geest en degenen die Hem aanbidden moeten dat doen op een geestelijke en eerlijke manier.” 25 De vrouw zei tegen Hem: “Ik weet dat de Messias komt (die de Gezalfde wordt genoemd). Wanneer Hij komt zal Hij ons alles vertellen.” 26 Jezus zei tegen haar: “Dat ben Ik, die nu met u praat.” 27 Op dat moment kwamen zijn leerlingen en waren verbaasd dat Hij met een vrouw sprak, maar niemand zei: ‘Wat is uw bedoeling?’ of: ‘Waarom praat U met haar?’ 28 De vrouw liet haar kruik achter en ging de stad binnen en zei tegen de mensen: 29 “Kom, kijk! Iemand die mij alles gezegd heeft wat ik ooit gedaan heb. Hij is de Gezalfde.” 30 En ze kwamen uit de stad naar Hem toe. 31 Ondertussen vroegen de leerlingen Hem: “Rabbi, eet iets.” 32 Maar Hij zei: “Ik heb voedsel om te eten, waar jullie niet vanaf weten.” 33 Daarom zeiden de leerlingen tegen elkaar: “Niemand heeft Hem toch eten gebracht?” 34 Jezus zei tegen hen: “Mijn voedsel is om de wil te doen van mijn Zender en Ik maak zijn werk af. 35 Zeggen jullie niet: ‘Nog vier maanden en dan komt de oogst’? Want let op, en kijk, en je zult zien dat de landstreken wit zijn om te oogsten. 36 Wie maait ontvangt loon en verzamelt vrucht tot eeuwig leven zodat de zaaier en de maaier samen blij zijn. 37 Want dit is een waar woord: De een zaait, en de ander maait. 38 Ik stuurde jullie om te maaien waar je geen moeite voor hebt gedaan. Anderen hebben zich ingespannen en jullie zijn op hun terrein gekomen.” 39 Veel van de Samaritanen uit de stad geloofden in Hem door het woord van de vrouw die getuigde: “Hij heeft mij alles gezegd wat ik ooit gedaan heb.” 40 Toen kwamen de Samaritanen naar Hem toe en vroegen Hem bij hen te blijven en Hij bleef daar twee dagen. 41 En nog veel meer geloofden door zijn woord. 42 En ze zeiden tegen de vrouw: “Wij geloven Hem niet meer door wat u hebt gezegd, want we hebben zelf geluisterd en ingezien dat Hij echt de Redder van de wereld is.”
43 Maar na twee dagen vertrok Hij vandaar naar Galilea. 44 Jezus zelf getuigde dat een profeet in zijn eigen land geen eer ontvangt. 45 Toen Hij daarna in Galilea kwam ontvingen alle Galileërs Hem. Zij hadden gezien wat Hij in Jeruzalem op het feest had gedaan, want zij waren ook op het feest geweest. 46 Hij kwam toen opnieuw naar Kana in Galilea, waar Hij van water wijn had gemaakt, en er was iemand van het koninklijk hof in Kafarnaüm waarvan de zoon ziek was. 47 Hij hoorde dat Jezus uit Judea naar Galilea was gekomen en ging naar Hem toe en vroeg of Hij wilde afdalen en zijn zoon genezen, die op het punt stond te sterven. 48 Toen zei Jezus tegen hem: “Jullie geloven niet als je geen tekens en wonderen ziet.” 49 De hoveling zei tegen Hem: “Heer, daal af, voordat mijn kind sterft.” 50 Jezus zei tegen hem: “Ga maar, je zoon leeft.” En die man geloofde het woord dat Jezus tegen hem zei, en hij vertrok. 51 En terwijl hij afdaalde kwamen zijn slaven hem al tegemoet en zeiden: “Je kind is gezond.” 52 Hij vroeg hen op welk uur de beterschap was gekomen, en ze zeiden tegen hem: “Gisteren op het zevende uur verliet de koorts hem.” 53 De vader wist dat dat het uur was toen Jezus zei: ‘Je zoon leeft.’ En hij geloofde, hij en zijn hele huis. 54 Dit is alweer het tweede wonderteken dat Jezus deed toen Hij vanuit Judea in Galilea kwam.
5:1 Daarna was er een feest van de Judeërs en Jezus ging bergopwaarts naar Jeruzalem. 2 Er was in Jeruzalem bij de Schaapspoort een bad met vijf zuilengangen dat in het Hebreeuws Bethesda wordt genoemd. 3 Er lag daar een grote menigte zwakken, blinden, kreupelen en verdorden. Ze lagen te wachten tot het water in beweging kwam. 4 Want op bepaalde ogenblikken daalde een engel af naar het badwater en bracht het water in beweging en wie daarna het eerst in het water kwam werd genezen, welke ziekte hij ook had. 5 Maar er was daar iemand die 38 jaar ziek was. 6 Jezus zag hem liggen en wist dat hij daar al lange tijd was, en zei tegen hem: “Wil je gezond worden?” 7 De verlamde antwoordde Hem: “Heer, ik heb niemand die mij in het badwater gooit wanneer het water in beweging komt, en als ik zelf ga, is iemand anders mij voor.” 8 Jezus zei tegen hem: “Sta op, pak je matras op en loop.” 9 En direct werd de man gezond, pakte zijn matras op en liep. En het was die dag sabbat. 10 Toen zeiden de Judeërs tegen de man die genezen was: “Het is sabbat; je mag je matras niet dragen.” 11 Maar hij antwoordde hen: “Degene die mij genezen heeft zei tegen mij: Pak je matras op en loop.” 12 Zij vroegen hem: “Wie is het die heeft gezegd: Pak je matras op en loop?” 13 Maar de man die genezen was wist niet wie het was, want Jezus was tussen de mensenmenigte daar verdwenen. 14 Hierna vond Jezus hem in de tempel en zei tegen hem: “Kijk, je bent nu genezen. Zondig niet meer, zodat je niet iets ergers overkomt.” 15 De man ging weg en vertelde de Judeërs, dat het Jezus was die hem gezond gemaakt had. 16 Hierom vervolgden de Judeërs Jezus omdat Hij dit op sabbat deed. 17 Maar Jezus antwoordde hen: “Mijn Vader werkt tot nu toe en Ik werk ook.” 18 Hierom probeerden de Judeërs nog meer Hem te doden, omdat Hij niet alleen de sabbat brak, maar ook zei dat God zijn eigen Vader was en zichzelf dus aan God gelijk maakte. 19 Jezus antwoordde hen: “Vast en zeker, Ik zeg jullie, de Zoon doet niets uit zichzelf als Hij het de Vader niet ziet doen, want wat Hij doet, doet de Zoon ook. 20 De Vader houdt van de Zoon en laat Hem alles zien wat Hij doet, en Hij zal Hem grotere daden laten zien, zodat jullie je verbazen. 21 Want zoals de Vader de doden opwekt en levend maakt, maakt de Zoon levend wie Hij wil. 22 Want de Vader oordeelt niemand, maar heeft heel het oordeel aan de Zoon overgegeven, 23 zodat iedereen de Zoon eert, zoals ze de Vader eren. Wie de Zoon niet eert, eert de Vader niet die Hem stuurde. 24 Volstrekt zeker: Ik zeg jullie, wie mijn woord hoort en Hem gelooft, die Mij gestuurd heeft, heeft eeuwig leven en komt niet in het oordeel, want hij is overgestapt uit de dood in het leven. 25 Volstrekt zeker: Ik zeg jullie, het uur komt en is nu dat de doden de stem van de Zoon van God zullen horen, en die het horen zullen leven. 26 Want zoals de Vader leven in zichzelf heeft, gaf Hij aan de Zoon om leven in zichzelf te hebben, 27 en Hij gaf Hem gezag om het oordeel uit te oefenen, omdat Hij de Mensenzoon is. 28 Wees daar niet verbaasd over, want er komt een uur dat iedereen die in de begraafplaatsen is, zijn stem zal horen 29 en zal opstaan: die goede dingen hebben gedaan voor de opstanding van het leven, maar die slechte dingen hebben gedaan voor de opstanding van het oordeel. 30 Ik kan uit mijzelf niets doen. Ik oordeel naar wat Ik hoor en mijn oordeel is rechtvaardig, want Ik zoek niet mijn wil, maar de wil van Hem die Mij zendt. 31 Als Ik van mijzelf getuig is mijn getuigenis niet betrouwbaar 32 maar iemand anders getuigt van Mij en Ik weet dat het getuigenis dat Hij van Mij getuigt waar is. 33 Jullie stuurden mensen naar Johannes, en hij heeft van de waarheid getuigd. 34 Ik neem het getuigenis van een mens niet aan, maar Ik zeg het met de bedoeling dat jullie gered worden. 35 Hij was een brandende en schijnende lamp en jullie waren een tijd blij toen hij licht gaf. 36 Maar Ik heb een getuigenis groter dan dat van Johannes, want de daden die de Vader Mij gegeven heeft voer Ik uit en de daden zelf die Ik doe getuigen van Mij dat de Vader Mij gestuurd heeft. 37 En de Vader die Mij stuurde, heeft over Mij getuigd. Jullie hebben nooit zijn stem gehoord of zijn uiterlijk gezien. 38 En jullie hebben zijn woord niet blijvend in je en jullie geloven niet in Hem die Hij gestuurd heeft. 39 Jullie onderzoeken de Geschriften en jullie denken daarin eeuwig leven te hebben, en die zijn het die van Mij getuigen, 40 en jullie willen niet naar Mij toe komen om leven te hebben. 41 Ik neem geen eer van mensen aan, 42 maar Ik weet dat jullie de liefde van God niet in jullie hebben. 43 Ik ben gekomen in de naam van mijn Vader en jullie nemen Mij niet aan. Als iemand anders in zijn eigen naam komt zullen jullie hem aannemen. 44 Hoe kunnen jullie geloven als jullie eerbetoon van elkaar aannemen, maar de eer die van God komt niet zoeken? 45 Denk niet dat Ik jullie bij de Vader zal beschuldigen. Mozes is degene die jullie beschuldigd, op wie jullie hopen. 46 Want als jullie Mozes zouden geloven, zouden jullie Mij geloven, want hij schreef over Mij. 47 Maar als jullie zijn Geschriften niet geloven, hoe zullen jullie mijn woorden geloven?”
6:1 Hierna ging Jezus naar de overkant van het meer van Galilea van Tiberias. 2 Veel mensen volgden Hem, omdat ze de wondertekens zagen die Hij aan de zieken verrichtte. 3 Maar Jezus ging de berg op en ging daar met zijn discipelen zitten. 4 Het was bijna Pascha, het feest van de Judeërs. 5 Jezus sloeg zijn ogen op en zag veel mensen naar Hem toekomen. Hij zei tegen Filippus: “Waar zullen we brood kopen, zodat ze kunnen eten?” 6 Maar dat zei Hij om hem op de proef te stellen, want Hij wist wat Hij op het punt stond te gaan doen. 7 Filippus antwoordde Hem: “Tweehonderd denarii is niet genoeg als iedereen een beetje krijgt.” 8 Een van de leerlingen, Andreas, de broer van Simon Petrus, zei tegen Hem: 9 “Hier is een jongen die vijf gerstebroden en twee vissen heeft, maar wat is dat voor zoveel mensen?” 10 Jezus zei: “Laat de mensen rustig gaan zitten.” Er was daar veel gras. Toen gingen de mannen rustig zitten. Hun aantal was ongeveer vijfduizend. 11 Jezus nam de broden, dankte en verdeelde het onder wie daar zaten. Zo deed Hij ook met de vissen, en ze kregen zoveel ze wilden. 12 En toen ze verzadigd waren zei Hij tegen zijn leerlingen: “Verzamel de overgebleven brokken, zodat niets verspild wordt.” 13 Toen verzamelden ze en vulden twaalf manden met brokken afkomstig van de vijf gerstebroden waarvan overvloedig gegeten was. 14 Toen de mensen het wonderteken zagen dat Hij gedaan had zeiden ze: “Hij is echt de profeet die naar de wereld moest komen.” 15 Jezus wist dat ze klaar stonden om Hem met geweld mee te nemen om Hem koning te maken. Daarom trok Hij zich opnieuw terug op de berg en was daar alleen.
16 Toen het avond werd, gingen zijn leerlingen het meer op. 17 Ze gingen aan boord van het schip, en kwamen bij de overkant van het meer in Kafarnaüm. Het werd al donker en nog was Jezus niet bij hen gekomen. 18 En de zee werd wild, omdat er een sterke wind waaide. 19 Ze hadden al vijfentwintig à dertig stadia gevaren toen ze Jezus op het meer zagen lopen en naar het schip toekomen, en ze waren bang. 20 Maar Hij zei tegen hen: “Ik ben het, wees niet bang.” 21 Toen lieten ze Hem in het schip en direct was het schip aan land op de plaats waar ze heen gingen.
22 ’s Ochtends zagen de mensen die aan de overkant van het meer geweest waren, dat er geen ander schip was dan dat ene, en dat Jezus niet met de leerlingen mee was gegaan, maar dat de leerlingen alleen waren gegaan. 23 Anderen kwamen met schepen uit Tiberias, dat dicht bij de plaats ligt waar ze brood gegeten hadden waarvoor de Heer gedankt had. 24 Toen de mensen vervolgens zagen dat Jezus er niet was en zijn leerlingen niet, gingen ze aan boord van schepen en kwamen in Kafarnaüm om Jezus te zoeken. 25 Ze vonden Hem aan de overkant van het meer en zeiden tegen Hem: “Rabbi, wanneer bent U hier gekomen?” 26 Jezus antwoordde hen: “Vast en zeker, Ik zeg jullie: Jullie zoeken Mij niet omdat je de wondertekens hebt gezien, maar omdat je van de broden hebt gegeten en verzadigd bent. 27 Werk niet voor voedsel dat vergaat, maar voor het voedsel dat blijft tot in het eeuwige leven, dat de Mensenzoon aan jullie zal geven, want God de Vader heeft Hem verzegeld.” 28 Toen zeiden ze tegen Hem: “Wat moeten wij doen om de daden van God te doen?” 29 Jezus antwoordde hen: “Dit is de daad van God, dat jullie geloven in Hem die Hij gestuurd heeft.” 30 Toen zeiden ze tegen Hem: “Wat voor wonderteken doet U, zodat wij het zien en U geloven? Welke daden doet U? 31 Onze voorvaders aten het manna in de wildernis, zoals opgeschreven staat: ‘Hij gaf hen brood uit de hemel te eten.’ ” 32 Jezus zei tegen hen: “Zeker, zeker, Ik zeg jullie dat niet Mozes jullie het brood uit de hemel heeft gegeven, maar mijn Vader geeft jullie het echte brood uit de hemel. 33 Want het brood van God is Hij die uit de hemel neerdaalt en leven aan de wereld geeft.” 34 Ze zeiden tegen Hem: “Heer, geef ons altijd dit brood.” 35 Jezus zei tegen hen: “Ik ben het brood van het leven. Wie naar Mij toe komt heeft nooit meer honger en wie in Mij gelooft zal nooit dorst hebben. 36 Maar Ik zei jullie dat jullie Mij gezien hebben en niet geloven. 37 Iedereen die de Vader aan Mij geeft, zal naar Mij toe komen en wie naar Mij toe komt jaag Ik zeker niet weg. 38 Ik ben niet uit de hemel neergedaald om mijn eigen wil te doen, maar de wil van Hem, die Mij stuurde. 39 En dit is de wil van Hem die Mij zendt, dat Ik iedereen die Hij Mij gegeven heeft niet verloren laat gaan, maar hem op de laatste dag laat opstaan. 40 Want dit is de wil van mijn Vader, dat wie de Zoon ziet en in Hem gelooft eeuwig leven heeft, en Ik zal hem op de laatste dag laten opstaan.” 41 De Judeërs mopperden over Hem omdat Hij zei: “Ik ben het brood dat uit de hemel neerdaalt”, 42 en ze zeiden: “Is Hij niet Jezus, de zoon van Jozef? Wij kennen zijn vader en moeder. Hoe kan Hij dan zeggen: ‘Ik ben uit de hemel neergedaald’?” 43 Jezus antwoordde hen: “Mopper niet onder elkaar. 44 Niemand kan naar Mij toe komen als de Vader, die Mij gestuurd heeft, hem niet trekt; en Ik zal hem op de laatste dag laten opstaan. 45 Zoals in de Geschriften van de profeten staat: ‘Zij zullen allemaal door God onderwezen worden.’ Iedereen die het van de Vader hoort en leert, komt naar Mij toe. 46 Niet dat iemand de Vader heeft gezien, maar Hij die van God komt, heeft de Vader gezien. 47 Volstrekt zeker, Ik zeg jullie: Wie gelooft heeft eeuwig leven. 48 Ik ben het brood van het leven. 49 Jullie voorvaders aten manna in de wildernis en zijn gestorven. 50 Dit is het brood dat uit de hemel neerdaalt, zodat wie daarvan eet niet sterft. 51 Ik ben het levende brood dat uit de hemel neerdaalt. Wie van dat brood eet zal eeuwig leven. En het brood dat Ik zal geven is mijn vlees voor het leven van de wereld.” 52 De Judeërs discussieerden met elkaar en zeiden: “Hoe kan Hij ons zijn vlees te eten geven?” 53 Jezus zei tegen hen: “Zeer zeker, ik zeg jullie: Als jullie het vlees van de Mensenzoon niet eten en zijn bloed niet drinken hebben jullie geen leven in je. 54 Wie eet van mijn vlees en drinkt van mijn bloed heeft eeuwig leven en Ik zal hem op de laatste dag doen opstaan. 55 Want mijn vlees is echt voedsel en mijn bloed is echt drinken. 56 Wie van mijn vlees eet en van mijn bloed drinkt blijft in Mij en Ik in hem. 57 Zoals de levende Vader Mij stuurde, leef Ik ook door de Vader, en wie Mij eet zal ook door Mij leven. 58 Dit is het brood dat uit de hemel neerdaalt. Het eten daarvan is niet zoals bij de voorvaders die stierven. Wie van dit brood eet zal leven in eeuwigheid.” 59 Dit zei Hij toen Hij onderwijs gaf in de samenkomst in Kafarnaüm. 60 Veel van de leerlingen die dat hoorden zeiden: “Dit is een zwaar woord. Wie kan het aanhoren?” 61 Jezus zag ze bij zichzelf hierover mopperen en zei tegen hen: “Is dat voor jullie een struikelblok? 62 En als jullie de Mensenzoon zien opstijgen naar waar Hij vroeger was? 63 Het is de Geest die levend maakt. Het vlees draagt er niets aan bij. De woorden die Ik tegen jullie heb gezegd zijn Geest en leven. 64 Maar sommigen van jullie geloven niet.” Want Jezus wist vanaf het begin wie het waren die niet zouden geloven en wie het was die Hem zou overleveren. 65 “Zoals Ik jullie heb gezegd: Niemand kan naar Mij toe komen als het hem niet door de Vader gegeven wordt.” 66 Naar aanleiding hiervan volgden veel leerlingen Hem niet meer. 67 Toen zei Jezus tegen de twaalf: “Willen jullie ook niet weggaan?” 68 Simon Petrus antwoordde hem: “Heer, naar wie zullen wij gaan? U hebt woorden van eeuwig leven. 69 En wij geloven en weten dat U de Heilige van God bent.” 70 Jezus antwoordde hen: “Heb Ik jullie twaalf niet zelf uitgekozen, en één van jullie is een duivel.” 71 Dat zei Hij over Judas, de zoon van Simon, Iskariot, één van de twaalf die Hem zou gaan overleveren.
7:1 Hierna trok Jezus door Galilea, want Hij wilde niet meer in Judea rondreizen omdat de Judeërs Hem probeerden te doden. 2 Maar het Judese Loofhuttenfeest kwam dichterbij. 3 Toen zeiden zijn broers tegen Hem: “Vertrek van hier en ga naar Judea, zodat je leerlingen de daden zullen zien die Je doet, 4 want niemand doet iets in het geheim en zoekt tegelijkertijd bekendheid. Als Je zulke dingen doet, maak jezelf dan aan de wereld bekend.” 5 Want zijn broers geloofden niet in Hem. 6 Jezus zei dan tegen hen: “Mijn tijd is nog niet gekomen, maar voor jullie is het altijd tijd. 7 De wereld kan jullie niet haten, maar ze haat Mij, omdat Ik over haar getuig dat haar daden slecht zijn. 8 Gaan jullie maar naar het feest. Ik ga niet naar het feest, want mijn tijd is nog niet gekomen.” 9 Dit zei Hij en bleef in Galilea. 10 Maar nadat zijn broers naar het feest waren gegaan, ging Hij ook, niet openlijk, maar in het verborgen. 11 Toen zochten de Judeërs Hem op het feest en zeiden: “Waar is Hij?” 12 En er werd veel over Hem gediscussieerd onder de mensen. Er waren er die zeiden: “Hij is goed”, maar anderen zeiden: “Nee, Hij misleidt het volk.” 13 Maar niemand sprak openhartig over Hem, omdat ze bang waren voor de Judeërs.
14 Halverwege het feest ging Jezus naar de tempel en gaf onderwijs. 15 De Judeërs verbaasden zich daarover en zeiden: “Hoe kent Hij de Geschriften als Hij niet onderwezen is?” 16 Maar Jezus antwoordde hen: “Mijn onderwijs komt niet van mijzelf, maar van Hem, die Mij gestuurd heeft. 17 Als iemand zijn wil wil doen, zal hij te weten komen of het onderwijs van God komt of dat Ik uit mijzelf spreek. 18 Wie uit zichzelf spreekt zoekt zijn eigen eer, maar wie de eer van zijn zender zoekt, die is betrouwbaar en er is bij hem geen onrecht. 19 Heeft Mozes jullie niet de wet gegeven? En niemand van jullie houdt de wet. Waarom proberen jullie Mij te doden?” 20 De mensen antwoordden: “Je hebt een demon. Wie probeert Je te doden?” 21 Jezus antwoordde hen: “Eén daad heb Ik gedaan en jullie verbazen je allemaal. 22 Mozes heeft jullie de besnijdenis gegeven, hoewel die niet van Mozes komt maar van de voorvaders, en op de sabbat besnijden jullie iemand. 23 Als iemand op sabbat besneden wordt om de wet van Mozes niet te overtreden, waarom zijn jullie dan boos omdat Ik iemand op sabbat helemaal gezond maak? 24 Oordeel niet naar hoe het schijnt te zijn, maar oordeel rechtvaardig.” 25 Enkele mensen uit Jeruzalem zeiden: “Is Hij niet degene die ze proberen te doden? 26 En kijk, Hij spreekt vrijmoedig en niemand zegt iets tegen Hem. Zouden de leiders dan echt hebben ingezien dat Hij de Gezalfde is? 27 Maar van Hem weten we waar Hij vandaan komt, maar als de Gezalfde komt weet niemand waar Hij vandaan komt.” 28 Jezus gaf onderwijs in de tempel en riep uit: “Jullie kennen Mij en weten waar Ik vandaan kom. Ik ben niet namens mijzelf gekomen, maar de waarachtige stuurde Mij, die jullie niet gekend hebben. 29 Ik ken Hem, want Ik ben van Hem gekomen en Hij heeft Mij gestuurd.” 30 Toen probeerden ze Hem te grijpen, maar niemand sloeg de hand aan Hem, omdat zijn uur nog niet gekomen was. 31 Maar veel mensen geloofden in Hem en zeiden: “Als de Gezalfde komt, zal Hij meer wondertekens doen dan Hij gedaan heeft?” 32 De Farizeeën hoorden de mensen dat over Hem mompelen en de hoofdpriesters en de Farizeeën stuurden beambten om Hem te grijpen. 33 Jezus zei: “Ik ben nog een korte tijd bij jullie voordat Ik naar Hem ga die Mij stuurde. 34 Jullie zullen Mij zoeken en Mij niet vinden, en waar Ik ben kunnen jullie niet komen.” 35 Daarom zeiden de Judeërs tegen elkaar: “Waar zou Hij heen gaan, dat wij Hem niet zouden kunnen vinden? Hij zal toch niet naar de verspreid wonende Grieken gaan om de Grieken te onderwijzen? 36 Wat betekent die opmerking dat Hij zei: Jullie zullen Mij zoeken en Mij niet vinden, en waar Ik ben kunnen jullie niet komen?”
37 En op de laatste, de grote dag van het feest stond Jezus op en riep: “Laat wie dorst heeft naar Mij toe komen en drinken. 38 Als iemand in Mij gelooft, zoals het Geschrift zegt, zullen stromen van levend water uit zijn binnenste stromen.” 39 Hij zei dat over de Geest die degenen die in Hem geloven, zouden ontvangen. Want de Geest was er niet, omdat Jezus de glorie nog niet had ontvangen. 40 Sommigen van de mensen die deze woorden hoorden zeiden: “Dit is echt de profeet.” 41 Anderen zeiden: “Hij is de Gezalfde”, maar weer anderen: “Nee, komt de Gezalfde dan uit Galilea? 42 Zegt het Geschrift niet dat de Gezalfde komt uit de nakomelingen van David en uit het dorp Betlehem, waar David vandaan kwam?” 43 Er ontstond toen verdeeldheid bij het volk over Hem. 44 Sommigen van hen wilden Hem grijpen, maar niemand sloeg de hand aan Hem. 45 De beambten kwamen bij de hoofdpriesters en Farizeeën, en die zeiden tegen hen: “Waarom hebben jullie Hem niet meegebracht?” 46 De beambten antwoordden: “Nog nooit heeft iemand zo gesproken.” 47 Toen antwoordden de Farizeeën hen: “Zijn jullie ook misleid? 48 Niemand van de leiders of van de Farizeeën heeft in Hem geloofd. 49 Maar dat volk, dat de wet niet kent, is vervloekt.” 50 Nicodemus, één van hen, die eerder naar Jezus was gegaan, zei tegen hen: 51 “Oordeelt onze wet iemand voordat hij ondervraagd is en men weet wat hij doet?” 52 Ze antwoordden hem: “Kom je soms ook uit Galilea? Onderzoek het en je zal zien dat uit Galilea geen profeet voortkomt.” 53 En iedereen vertrok naar zijn eigen huis.
8:1 Maar Jezus ging naar de Olijfberg.
2 Vroeg in de ochtend kwam Hij opnieuw naar de tempel, en heel het volk kwam naar Hem toe. En Hij ging zitten en gaf onderwijs. 3 Maar de schriftgeleerden en Farizeeën brachten een vrouw die op overspel betrapt was naar Hem toe, en ze lieten haar in het midden staan. 4 En ze zeiden tegen Hem: “Deze vrouw is op heterdaad betrapt toen ze overspel pleegde. 5 Mozes gebiedt ons in de wet zulke mensen te stenigen. Wat zegt U ervan?” 6 Maar ze zeiden dat om Hem te verleiden, om iets te hebben om Hem van te beschuldigen. Maar Jezus bukte zich en schreef met zijn vinger in de aarde. 7 Maar toen ze Hem bleven vragen richtte Hij zich op en zei tegen hen: “Laat wie van jullie zonder zonde is, de eerste steen naar haar gooien.” 8 En opnieuw bukte Hij zich en schreef in de aarde. 9 Degenen die Hem hoorden, gingen één voor één weg, te beginnen bij de oudste, en Jezus werd alleen achtergelaten met de vrouw in het midden. 10 En Jezus ging rechtop staan en zei: “Mevrouw, waar zijn ze? Heeft niemand u veroordeelt?” 11 En ze zei: “Niemand, Heer.” En Jezus zei: “Ik veroordeel u ook niet. Ga en zondig vanaf nu niet meer.”
12 Jezus sprak opnieuw en zei: “Ik ben het licht van de wereld. Wie Mij volgt loopt niet in het donker, want hij zal het licht van het leven hebben.” 13 De Farizeeën zeiden tegen Hem: “U getuigt van uzelf, uw getuigenis is niet waar.” 14 Jezus antwoordde hen: “Hoewel Ik van mijzelf getuig is mijn getuigenis waar, want Ik weet waar Ik vandaan kom en waar Ik naartoe ga, maar jullie weten niet waar Ik vandaan kom en waar Ik naartoe ga. 15 Jullie oordelen naar het vlees. Ik oordeel niemand, 16 en als Ik oordeel is mijn oordeel eerlijk. Ik ben namelijk niet alleen, want de Vader die Mij gestuurd heeft is bij Mij. 17 En in jullie wet staat geschreven dat het getuigenis van twee personen betrouwbaar is. 18 Ik ben het die van mijzelf getuig en de Vader, die Mij gezonden heeft, getuigt over Mij.” 19 Toen zeiden ze tegen Hem: “Waar is uw Vader?” Jezus antwoordde: “Jullie kennen Mij en mijn Vader niet. Als jullie Mij kenden, zouden jullie ook mijn Vader kennen.” 20 Deze woorden sprak Hij bij de schatkist terwijl Hij in de tempel onderwijs gaf. En niemand greep Hem omdat zijn tijd nog niet was gekomen.
21 Hij zei opnieuw tegen hen: “Ik ga weg en jullie zullen Mij zoeken en jullie zullen in je zonden sterven. Waar Ik heenga kunnen jullie niet komen.” 22 Toen zeiden de Judeërs: “Hij zal zichzelf toch niet doden, want Hij zegt: Waar Ik heenga kunnen jullie niet komen.” 23 Hij zei tegen hen: “Jullie zijn van beneden, Ik ben van boven. Jullie zijn van deze wereld, Ik ben niet van deze wereld. 24 Ik heb jullie gezegd dat jullie in je zonden zullen sterven, want als jullie niet geloven dat Ik [het] ben, zullen jullie in je zonden sterven.” 25 Dus zeiden ze tegen Hem: “Wie bent U?” Jezus zei tegen hen: “Wat ik vanaf het begin tegen jullie heb gezegd. 26 Ik heb veel over jullie te zeggen en te oordelen, maar Hij die Mij gezonden heeft is betrouwbaar, en wat Ik van Hem hoor, dat spreek Ik in de wereld.” 27 Ze wisten niet dat Hij met hen over de Vader sprak. 28 Jezus zei tegen hen: “Wanneer jullie de Mensenzoon verhoogd hebben, zullen jullie weten dat Ik [het] ben, en dat Ik niets vanuit mijzelf doe, maar dat Ik zeg wat de Vader Mij geleerd heeft. 29 En Hij die Mij zendt is bij Mij en laat Mij niet alleen, want Ik doe altijd waar Hij blij mee is.” 30 Toen Hij dat zei geloofden veel mensen in Hem. 31 Jezus zei tegen de Judeërs die in Hem geloofden: “Als jullie bij mijn woord blijven, zijn jullie echt mijn leerlingen. 32 Jullie zullen de waarheid kennen, en de waarheid zal jullie vrijmaken.” 33 Ze antwoordden Hem: “Wij zijn nakomelingen van Abraham en nooit als slaven aan iemand onderworpen geweest. Waarom zegt U dan: Jullie zullen vrij worden?” 34 Jezus antwoordde hen: “Vast en zeker, Ik zeg jullie: Iedereen die de zonde doet is slaaf van de zonde. 35 Maar de slaaf blijft niet altijd in het huis, maar de zoon blijft er altijd. 36 Als de Zoon jullie heeft vrijgemaakt, zullen jullie echt vrij zijn. 37 Ik weet dat jullie nakomelingen van Abraham zijn, maar jullie proberen Mij te doden, omdat mijn woord bij jullie geen plaats heeft. 38 Wat Ik bij de Vader gezien heb zeg Ik, en jullie doen wat je gezien hebt bij jullie vader.” 39 Zij antwoordden hem: “Abraham is onze vader.” Jezus zei tegen hen: “Als jullie kinderen van Abraham waren, zouden jullie doen zoals Abraham. 40 Maar nu proberen jullie Mij te doden, iemand die jullie de waarheid heeft gezegd, die Ik van God hoorde. Dat deed Abraham niet. 41 Jullie doen zoals jullie vader.” Zij zeiden tegen Hem: “Wij zijn niet uit hoererij geboren. Wij hebben één Vader, God.” 42 Jezus zei tegen hen: “Als God jullie Vader was zouden jullie van Mij houden, want Ik ben van God uitgegaan en gekomen. Ik kwam niet uit mijzelf, want Hij heeft Mij gestuurd. 43 Waarom begrijpen jullie niet wat Ik zeg? Omdat jullie mijn woord niet kunnen aanhoren. 44 Jullie horen bij jullie vader, de duivel. Jullie willen het verlangen van jullie vader doen, want Hij was een mensenmoordenaar vanaf het eerste begin. Hij houdt zich niet aan de waarheid, want er is geen waarheid in hem. Als hij liegt, spreekt hij uit zichzelf, want hij is een leugenaar en de vader van de leugen. 45 Omdat Ik de waarheid zeg, geloven jullie Mij niet. 46 Wie van jullie overtuigt Mij van zonde? Als Ik de waarheid zeg, waarom geloven jullie Mij niet? 47 Wie bij God hoort, luistert naar Gods woorden. Jullie luisteren niet, omdat jullie niet bij God horen.” 48 De Judeërs antwoordden: “Zeggen we niet terecht dat U een Samaritaan bent en een demon hebt?” 49 Jezus antwoordde: “Ik heb geen demon, maar Ik eer de Vader en jullie beledigen Mij. 50 Maar Ik zoek niet mijn eigen eer. Er is iemand die dat zoekt en oordeelt. 51 Vast en zeker, Ik zeg jullie: Wie mijn woord bewaart, zal de dood in eeuwigheid niet zien.” 52 Daarom zeiden de Judeërs: “Nu weten we dat U een demon hebt. Abraham stierf en de profeten, en U zegt: Wie mijn woord bewaart zal de dood nooit proeven. 53 U bent toch niet groter dan onze vader Abraham die stierf en de profeten die stierven. Wie maakt U uzelf?” 54 Jezus antwoordde: “Als Ik mijzelf eer, is mijn eer niets. Het is mijn Vader die Mij eert, van wie jullie zeggen: Hij is onze God. 55 Jullie hebben Hem niet gekend, maar Ik heb Hem gekend. Als Ik zou zeggen dat Ik Hem niet ken, zou Ik een leugenaar zijn zoals jullie. Maar Ik ken Hem, en Ik bewaar zijn woord. 56 Jullie vader Abraham juichte toen hij mijn dag zag. Hij zag het en was blij.” 57 De Judeërs zeiden: “U bent nog geen vijftig jaar en hebt Abraham gezien?” 58 Jezus zei tegen hen: “Volstrekt zeker, Ik zeg jullie: Voordat Abraham kwam, ben Ik.” 59 Toen pakte ze stenen om naar Hem te gooien, maar Jezus verborg zich en ging de tempel uit.
9:1 En toen Hij verder ging zag Hij een man die blind geboren was. 2 Zijn leerlingen vroegen aan Hem: “Rabbi, wie heeft gezondigd, hij of zijn ouders, waardoor hij blind geboren werd?” 3 Jezus antwoordde: “Het is niet omdat hij of zijn ouders gezondigd hebben, maar om de daden van God zichtbaar te laten worden in hem. 4 Zolang het dag is moeten wij de daden doen van Hem, die Mij stuurde. De nacht komt waarin niemand kan werken. 5 Wanneer Ik in de wereld ben, ben Ik het licht van de wereld.” 6 Nadat Hij dat zei spuugde Hij op de grond en maakte met speeksel modder, en zalfde zijn ogen met modder. 7 Toen zei Hij tegen hem: “Ga je wassen in het badwater van Siloam.” De vertaling daarvan is: ‘Hij die gestuurd is’. En hij ging, waste zich en ging ziende verder. 8 Toen de buren degene die eerst bedelaar was geweest zagen, zeiden ze: “Is dat niet degene die zat te bedelen?” 9 Anderen zeiden: “Het is iemand anders”, en weer anderen: “Hij lijkt op hem.” Hij zei zelf: “Ik ben het.” 10 Ze zeiden tegen hem: “Hoe werden je ogen geopend?” 11 Hij antwoordde: “De man die Jezus wordt genoemd, maakte modder en zalfde mijn ogen ermee en zei: ‘Ga je wassen in Siloam.’ En ik waste mij en zag.” 12 Ze vroegen hem: “Waar is Hij?” Hij zei: “Ik weet het niet.” 13 Ze brachten degene die blind was geweest naar de Farizeeën. 14 Het was sabbat op de dag dat Jezus modder maakte en zijn ogen opende. 15 Ze vroegen hem opnieuw samen met de Farizeeën: “Waarom kan je nu zien?” Hij zei: “Hij legde modder op mijn ogen, ik waste mij en ik zag.” 16 Toen zeiden de Farizeeën: “Iemand die de sabbat niet houdt, kan niet van God zijn”, maar anderen zeiden: “Hoe kan een zondig mens zulke wondertekens doen?” En er was verdeeldheid bij hen. 17 Ze zeiden opnieuw tegen de blinde: “Wat zeg jij van degene die je ogen opende?” Hij zei: “Hij is een profeet.” 18 Maar de Judeërs geloofden hem niet dat hij blind was geweest en nu kon zien, voordat ze de ouders hadden geroepen van degene die nu kon zien. 19 Ze vroegen aan hen: “Is dit jullie zoon, waarvan jullie zeggen dat hij blind geboren werd? Hoe kan hij nu dan zien?” 20 Zijn ouders antwoordden: “Wij weten dat dit onze zoon is en dat hij blind geboren werd. 21 Waarom hij nu kan zien weten we niet, en wie zijn ogen heeft geopend weten wij niet. Vragen jullie het aan hem; hij heeft de leeftijd. Hij zal het zelf zeggen.” 22 Dat zeiden zijn ouders omdat ze bang waren voor de Judeërs, want die hadden al besloten dat als iemand Hem als de Gezalfde zou belijden, hij uit de samenkomst zou worden gezet. 23 Daarom zeiden zijn ouders: “Hij heeft de leeftijd, vraag het aan hem.” 24 Toen riepen ze voor de tweede keer de man die blind was geweest en zeiden: “Geef God de glorie. We weten dat die man een zondaar is.” 25 Hij antwoordde: “Of Hij een zondaar is, weet ik niet, maar één ding weet ik: Ik was blind en nu kan ik zien.” 26 Ze zeiden tegen hem: “Wie heeft dat voor je gedaan? Hoe heeft Hij je ogen geopend?” 27 Hij antwoordde hen: “Ik heb het jullie al eerder gezegd, maar jullie luisteren niet. Willen jullie het weer horen? Willen jullie soms ook zijn leerlingen worden?” 28 Ze gingen tegen hem tekeer en zeiden: “Jij bent zijn leerling, maar wij zijn leerlingen van Mozes. 29 Wij weten dat Mozes namens God gesproken heeft, maar we weten niet waar Hij vandaan komt.” 30 De man antwoordde en zei tegen hen: “Dat is toch merkwaardig, dat jullie niet weten waar Hij vandaan komt. Hij heeft mijn ogen geopend. 31 Wij weten dat God niet naar zondaars luistert, maar wel naar iemand die God vereert en zijn wil doet. 32 Nooit of te nimmer werd gehoord dat iemand de ogen van een blindgeborene opende. 33 Als Hij niet van God was, zou Hij niets hebben kunnen doen.” 34 Ze antwoordden hem: “Jij bent helemaal in zonden geboren, en geef je ons les?” En ze stuurden hem naar buiten. 35 Toen Jezus hoorde dat ze hem naar buiten hadden gestuurd, vond Hij hem buiten en zei: “Geloof je in de Mensenzoon?” 36 Hij antwoordde: “Heer, wie is het? Dan zal ik in Hem geloven.” 37 Jezus zei tegen hem: “Je hebt Hem gezien en degene die met je praat, die is het.” 38 Toen zei hij: “Ik geloof Heer.” En hij knielde voor Hem neer. 39 Jezus zei: “Ik kwam in de wereld en dat leidt tot een oordeel, zodat die niet zagen kunnen zien, en die zien blind worden.” 40 Dit hoorden sommigen van de Farizeeën die bij Hem waren, en ze zeiden tegen Hem: “Zijn wij dan blind?” 41 Jezus zei tegen hen: “Als jullie blind waren, zouden jullie geen zonde hebben, maar nu jullie zeggen: wij zien, blijft jullie zonde.
10:1 Vast en zeker, Ik zeg jullie: Wie niet door de deur in de schaapskooi komt, maar op een andere manier naar binnen klimt, is een dief en een rover. 2 Maar wie door de deur naar binnen komt is de herder van de schapen. 3 De deurwachter doet hem open en de schapen horen zijn stem, en hij roept zijn eigen schapen bij hun naam en leidt ze naar buiten. 4 Wanneer hij al zijn eigen [schapen] naar buiten heeft gebracht, gaat hij voor hen uit en de schapen volgen hem omdat ze zijn stem kennen. 5 Ze zullen een vreemde zeker niet volgen maar van hem wegvluchten, omdat ze de stem van de vreemde niet kennen.” 6 Jezus paste deze beeldspraak toe, maar ze begrepen niet waarover Hij het had. 7 Jezus herhaalde: “Volstrekt zeker, Ik zeg jullie: Ik ben de deur van de schapen. 8 Iedereen die eerder dan Mij is gekomen is een dief of een rover. Maar de schapen hebben niet naar hen geluisterd. 9 Ik ben de deur. Wie door Mij naar binnen gaat, zal gered worden. Hij zal naar binnen en naar buiten gaan en weide vinden. 10 De dief komt alleen maar om te stelen, te doden en te verdelgen. Ik kwam met de bedoeling dat ze leven en overvloed zouden hebben. 11 Ik ben de goede herder. De goede herder zet zijn leven in voor de schapen. 12 De dagloner die geen herder is en die niet de eigenaar van de schapen is, ziet de wolf komen en laat de schapen in de steek, en vlucht, en de wolf pakt ze en jaagt ze uit elkaar. 13 Dat doet hij omdat hij dagloner is en niet om de schapen geeft. 14 Ik ben de goede herder. Ik ken degenen die bij Mij horen en zij kennen Mij, 15 zoals de Vader Mij kent en Ik de Vader. En Ik zet mijn leven in voor de schapen. 16 Ik heb nog andere schapen, die niet bij deze schaapskooi horen. Die moet Ik ook leiden, en ze zullen mijn stem horen, en het zal één kudde worden met één herder. 17 De Vader houdt van Mij omdat Ik mijn leven afleg om het weer terug te nemen. 18 Niemand neemt het van Mij af, want Ik leg het zelf af. Ik heb autoriteit om het af te leggen en autoriteit om het weer terug te nemen. Dat bevel heb Ik van mijn Vader gekregen.” 19 Door deze opmerkingen kwam er opnieuw verdeeldheid bij de Judeërs. 20 Veel van hen zeiden: “Hij heeft een demon en is waanzinnig. Waarom luisteren jullie naar Hem?” 21 Maar anderen zeiden: “Dit zijn geen woorden van een bezetene. En kan een demon de ogen van blinden openen?”
22 Er was het Vernieuwingsfeest in Jeruzalem. Het was winter. 23 Jezus liep in de tempel in de zuilengang van Salomo. 24 De Judeërs omringden Hem en zeiden: “Hoe lang laat U onze ziel in twijfel? Als U de Gezalfde bent, zeg het dan openhartig.” 25 Jezus zei: “Ik heb het gezegd en jullie geloven het niet. De daden die Ik in de naam van mijn Vader doe, die getuigen over Mij. 26 Maar jullie geloven niet omdat jullie niet bij mijn schapen horen. 27 Mijn schapen luisteren naar mijn stem en Ik ken ze en ze volgen Mij. 28 Ik geef ze eeuwig leven en ze zullen zeker nooit verloren gaan en niemand zal ze uit mijn hand wegrukken. 29 Mijn Vader, die hen aan Mij heeft gegeven, is groter dan iedereen. Niemand kan uit de hand van mijn Vader wegrukken. 30 Ik en de Vader zijn één.” 31 De Judeërs droegen opnieuw stenen aan om Hem te stenigen. 32 Jezus reageerde hierop en zei: “Ik heb jullie veel goede daden van de Vader laten zien. Voor welke daad willen jullie Mij stenigen?” 33 De Judeërs antwoordden: “Wij stenigen U niet voor een goede daad, maar voor een lastering, omdat U, een mens, zich aan God gelijk stelt.” 34 Jezus antwoordde: “Staat er niet in jullie wet geschreven: Jullie zijn goden? 35 Als zij goden worden genoemd naar wie het woord van God kwam, en het Geschrift kan niet gebroken worden, 36 waarom zeggen jullie dan van Hem, die door de Vader geheiligd en naar de wereld gestuurd is, dat Hij lastert? Omdat Ik zei: Ik ben de Zoon van God? 37 Als Ik de daden van de Vader niet doe, geloof Mij dan niet. 38 Maar als Ik ze doe, en jullie geloven Mij niet, geloof de daden dan, zodat jullie zullen weten en erkennen dat de Vader in Mij is en Ik in de Vader.” 39 Ze probeerden Hem opnieuw te grijpen, maar Hij ontsnapte aan hun handen.
40 Hij ging opnieuw naar de overkant van de Jordaan, naar de plaats waar Johannes eerst doopte en bleef daar. 41 Veel mensen kwamen naar Hem toe en zeiden: “Johannes deed wel geen enkel wonderteken, maar alles wat hij ook over Hem heeft gezegd is waar.” 42 En veel mensen daar geloofden in Hem.
11:1 Er was iemand ziek, namelijk Lazarus uit Bethanië, het dorp van Maria en haar zus Martha. 2 Maria was degene die de Heer met olie gezalfd had en zijn voeten met haar haren had afgedroogd en haar broer Lazarus was ziek. 3 Zijn zussen stuurden een bericht naar Hem: “Heer, let op, iemand van wie U houdt is ziek.” 4 Toen Jezus dat hoorde zei Hij: “Deze ziekte is niet tot de dood, maar voor de glorie van God, zodat de Zoon van God er door verheerlijkt wordt.” 5 Jezus hield van Martha en haar zus en van Lazarus. 6 Toen Hij hoorde dat hij ziek was, bleef Hij nog twee dagen waar Hij was. 7 Daarna zei Hij tegen zijn leerlingen: “Wij gaan weer naar Judea.” 8 De leerlingen zeiden tegen Hem: “Rabbi, de Judeërs probeerden U te stenigen, en gaat U daar nu weer heen?” 9 Jezus antwoordde: “Gaan er niet twaalf uur in een dag? Als iemand overdag loopt, stoot hij zich niet, omdat hij kijkt bij het licht van de wereld. 10 Maar als iemand in de nacht loopt stoot hij zich, omdat het licht niet in hem is.” 11 Toen Hij dat gezegd had, zei Hij: “Lazarus, onze vriend is gaan slapen, maar Ik ga er heen om hem te wekken.” 12 Toen zeiden de leerlingen tegen Hem: “Heer, als hij slaapt zal hij gezond worden.” 13 Jezus sprak over zijn dood, maar de leerlingen dachten dat Hij over de rust van de slaap sprak. 14 Toen zei Jezus hen vrijuit: “Lazarus is gestorven. 15 Voor jullie ben Ik blij dat Ik er niet was, zodat jullie geloven. Maar laten wij naar hem toegaan.” 16 Toen zei Thomas, met de bijnaam Didymus: “Laten we meegaan en met Hem sterven.” 17 Toen Jezus kwam, bemerkte Hij dat hij al vier dagen in het graf was. 18 Bethanië lag dicht bij Jeruzalem, namelijk vijftien stadia. 19 Veel van de Judeërs kwamen Martha en Maria troosten om hun broer. 20 Toen Martha hoorde dat Jezus kwam, ging zij Hem tegemoet, maar Maria zat thuis. 21 Martha zei tegen Jezus: “Heer, als U hier was geweest, zou mijn broer niet zijn gestorven. 22 Maar ook nu weet ik dat wat U aan God vraagt, God aan U zal geven.” 23 Jezus zei tegen haar: “Je broer zal opstaan.” 24 Martha zei tegen Hem: “Ik weet dat hij zal opstaan bij de opstanding op de laatste dag.” 25 Jezus zei tegen haar: “Ik ben de opstanding en het leven. Wie in Mij gelooft zal leven, ook al is hij gestorven. 26 En iedereen die leeft en in Mij gelooft, zal nooit sterven. Geloof je dat?” 27 Ze zei tegen Hem: “Ja Heer, ik geloof dat U de Gezalfde bent, de Zoon van God die in de wereld is gekomen.” 28 Nadat ze dat gezegd had ging ze weg, en riep in het geheim haar zus Maria, en zei: “De leraar is er en roept jou.” 29 Toen ze dat hoorde stond ze snel op en ging naar Hem toe. 30 Jezus was nog niet in het dorp, maar was nog op de plaats waar Martha Hem had ontmoet. 31 Toen de Judeërs die bij haar in huis waren om haar te troosten zagen dat Maria snel opstond, volgden ze haar. Ze dachten dat ze naar het graf ging om daar te huilen. 32 Toen Maria bij Jezus kwam, zag ze Hem en viel voor zijn voeten neer. Ze zei tegen Hem: “Heer, als U hier was geweest, zou mijn broer niet zijn gestorven.” 33 Toen Jezus haar en de Judeërs die bij haar waren zag huilen, werd hij van binnen heftig bewogen en verontrust. 34 Hij zei: “Waar hebben jullie hem gelegd?” Zij zeiden: “Heer, kom en kijk.” 35 Jezus huilde. 36 Toen zeiden de Judeërs: “Kijk, wat hield Hij veel van hem!” 37 Sommigen zeiden: “Kon Hij die de ogen van de blinde opende, er niet voor zorgen dat die niet stierf?” 38 Toen werd Jezus opnieuw heftig bewogen. Hij ging naar het graf. Het was een spelonk met een steen ervoor. 39 Jezus zei: “Haal de steen weg.” Martha, de zus van de overledene, zei tegen Hem: “Heer, hij stinkt al, want hij ligt daar al vier dagen.” 40 Jezus zie tegen haar: “Heb Ik je niet gezegd dat als je gelooft, je de glorie van God zult zien?” 41 Toen haalden ze de steen weg. Jezus richtte zijn ogen omhoog en zei: “Vader, Ik dank U, dat U naar Mij luistert. 42 Ik weet dat U altijd naar Mij luistert, maar Ik zei het voor de mensen die om Mij heen staan, met de bedoeling dat ze geloven dat U Mij hebt gestuurd.” 43 Nadat Hij dat gezegd had, riep Hij met een krachtige stem: “Lazarus, kom naar buiten!” 44 De gestorvene kwam naar buiten, zijn handen en voeten met grafdoeken gebonden en een zweetdoek om zijn gezicht gewikkeld. Jezus zei: “Maak hem los en laat hem gaan.” 45 Veel van de Judeërs die naar Maria waren gekomen en dat zagen, geloofden in Hem.
46 Maar sommigen van hen gingen naar de Farizeeën en zeiden tegen hen wat Jezus gedaan had. 47 Toen kwamen de hoofdpriesters en Farizeeën in een raadsvergadering samen en zeiden: “Wat moeten we doen, want die man doet veel wondertekens? 48 Als we Hem zo laten doorgaan zal iedereen in Hem geloven. Dan zullen de Romeinen komen en deze plaats en dit volk van ons afpakken.” 49 Eén van hen, Kajafas, de hogepriester van dat jaar, zei tegen hen: “Jullie begrijpen niets, 50 en jullie beseffen niet dat het in jullie belang is, dat één mens sterft voor het volk en niet heel het volk omkomt.” 51 Maar dat zei hij niet uit zichzelf, maar omdat hij de hogepriester van het jaar was, die profeteerde dat Jezus zou sterven voor het volk, 52 en niet alleen voor het volk, maar ook zodat de verspreid wonende kinderen van God samengebracht en een eenheid zouden worden. 53 Vanaf die dag beraadslaagden ze om Hem te doden. 54 Toen trok Jezus niet meer in het openbaar rond bij de Judeërs, maar Hij ging naar het gebied van de wildernis bij de stad Efraïm. Daar bleef Hij met zijn leerlingen.
55 Het was bijna het Pascha van de Judeërs, en veel mensen uit dat gebied gingen naar Jeruzalem om zich te reinigen. 56 Ze zochten naar Jezus en zeiden tegen elkaar, terwijl ze in de tempel stonden: “Wat denken jullie? Komt Hij niet naar het feest?” 57 De hoofdpriesters en de Farizeeën gaven het bevel dat als iemand wist waar Hij was, hij het moest aangeven, zodat Hij gegrepen kon worden.
12:1 Jezus kwam zes dagen voor het Pascha in Bethanië, waar Lazarus was, die Jezus uit de dood had opgewekt. 2 Zij maakten daar voor Hem een maaltijd klaar en Martha bediende en Lazarus was een van degenen die met Hem aan tafel aanlagen. 3 Toen nam Maria een pond echte, kostbare nardusbalsem en zalfde de voeten van Jezus en droogde zijn voeten met haar haren af en het huis werd vol van de geur van de balsem. 4 Maar Judas Iskariot, een van de leerlingen, die Hem zou gaan verraden, zei: 5 “Had die balsem niet voor drie duizend denarii verkocht en aan de armen gegeven kunnen worden?” 6 Maar dat zei hij niet omdat hij om de armen gaf, maar omdat hij een dief was en de portemonnee droeg met wat erin gedaan werd. 7 Maar Jezus zei: “Laat haar met rust, want ze heeft dit bewaard voor de dag van mijn begrafenis. 8 Want de armen hebben jullie altijd bij je, maar Mij hebben jullie niet altijd.” 9 Veel van de Judeërs wisten dat Hij daar was en zij kwamen niet alleen voor Jezus, maar ook om Lazarus te zien, die Hij uit de dood had opgewekt. 10 Maar de hoofdpriesters beraadslaagden om ook Lazarus te doden 11 omdat veel van de Judeërs door hem in Jezus gingen geloven.
12 ’s Ochtends toen een grote menigte, die naar het feest gekomen was, gehoord had dat Jezus naar Jeruzalem kwam, 13 namen ze palmtakken en gingen naar buiten Hem tegemoet en riepen luid: “Hosanna! Gezegend is Hij die komt in de naam van de Heer! De koning van Israël!” 14 Maar Jezus vond een ezel en ging daarop zitten, zoals opgeschreven is: 15 ‘Wees niet bang, dochter van Sion. Kijk, uw koning komt, en Hij zit op het veulen van een ezel.’ 16 De leerlingen begrepen dat eerst niet, maar toen Jezus glorie ontvangen had, herinnerden ze het zich, en dat dit over Hem geschreven stond en dat men dat met Hem had gedaan. 17 De menigte getuigde dat ze bij Hem waren geweest toen Hij Lazarus uit het graf riep en uit de dood liet opstaan. 18 Daarom ging een menigte Hem tegemoet omdat ze hoorden dat Hij dat wonderteken gedaan had. 19 Toen zeiden de Farizeeën tegen elkaar: “Je ziet dat je niets bereikt. Kijk, de hele wereld loopt achter Hem aan.”
20 Er waren enkele Grieken bij degenen die naar het feest waren gekomen om te aanbidden. 21 Zij gingen naar Filippus (die uit Betsaida in Galilea komt) en vroegen hem: “Meneer, we willen Jezus zien.” 22 Filippus ging en zei het tegen Andreas, en Andreas en Filippus vertelden het aan Jezus. 23 Maar Jezus antwoordde hen: “De tijd is gekomen dat de Mensenzoon verheerlijkt zal worden. 24 Vast en zeker zeg Ik jullie: Als de graankorrel niet in de aarde valt en sterft, blijft hij alleen, maar als hij gestorven is, draagt hij veel vrucht. 25 Wie van zijn eigen leven houdt, verliest het, maar wie zijn leven haat in deze wereld, zal het voor altijd behouden. 26 Als iemand Mij dient, laat hij Mij volgen. Waar Ik ben, daar zal ook mijn dienaar zijn. Als iemand Mij dient zal de Vader hem eren. 27 Nu is mijn ziel verontrust en wat moet Ik zeggen? Vader, redt Mij uit dit uur? Maar daarvoor kwam Ik in dit uur. 28 Vader, verheerlijk uw naam!” Toen kwam er een stem uit de hemel: “Ik heb hem verheerlijkt en Ik zal hem opnieuw verheerlijken.” 29 De mensen, die daar stonden en het gehoord hadden, zeiden: “Dat was een donderslag.” Maar anderen zeiden: “Een engel heeft met Hem gesproken.” 30 Jezus antwoordde: “Die stem was er niet voor Mij maar voor jullie. 31 Er is nu een oordeel in deze wereld. De heerser van deze wereld zal nu naar buiten worden gestuurd. 32 En als Ik zelf van de aarde verhoogd ben, zal Ik iedereen naar Mij toe trekken.” 33 Hij zei dat om aan te geven wat voor een dood Hij zou sterven. 34 De mensen antwoordden Hem: “Wij horen uit de wet dat de Gezalfde altijd blijft. Waarom zegt U dan dat de Mensenzoon verhoogd moet worden? Wie is de Mensenzoon?” 35 Toen zei Jezus tegen hen: “Nog maar een korte tijd is het licht bij jullie. Wandel terwijl je het licht heb, zodat de duisternis jullie niet overvalt. Want wie in de duisternis loopt, weet niet waar hij naartoe gaat. 36 Terwijl jullie het licht hebben, geloof in het licht, zodat jullie zonen van het licht zullen worden.” Jezus zei dit en ging weg en verborg zich voor hen.
37 Ondanks de vele wondertekens die Hij heeft gedaan, geloofden ze niet in Hem. 38 Zo werd het woord van de profeet Jesaja vervuld, die zei: “Heer, wie heeft de tijding geloofd die wij brachten, en aan wie werd de arm van de Heer geopenbaard?” 39 Daarom konden zij niet geloven want Jesaja zei opnieuw: 40 “Hij heeft hun ogen verblind en hun hart hard gemaakt, zodat het niet zo is dat hun ogen zien en hun hart beseft en ze zich bekeren en Ik hun genees.” 41 Jesaja zei dat, want hij zag zijn glorie en sprak over Hem. 42 Toch geloofden veel van de leiders in Hem maar ze kwamen er niet openlijk voor uit vanwege de Farizeeën, om niet uit de samenkomst verdreven te worden. 43 Zij hielden meer van de eer van mensen dan van de eer van God. 44 Jezus riep: “Wie in Mij gelooft, gelooft niet in Mij maar in Hem die Mij gestuurd heeft! 45 En die Mij ziet, ziet Hem die Mij gestuurd heeft. 46 Ik ben als een licht in de wereld gekomen, zodat iedereen die in Mij gelooft niet in de duisternis blijft. 47 Als iemand mijn woorden hoort en ze niet opvolgt, Ik oordeel hem niet, want Ik kwam niet om de wereld te oordelen, maar om de wereld te redden. 48 Wie Mij afwijst en mijn woorden niet aanvaardt heeft iets dat hem oordeelt. Het woord dat Ik gesproken heb zal hem oordelen op de laatste dag. 49 Want Ik spreek niet uit mijzelf, maar de Vader, die Mij stuurde, heeft Mij opdracht geven wat Ik moet zeggen en wat Ik moet spreken. 50 En Ik weet dat zijn opdracht eeuwig leven is. Wat Ik zeg, zeg Ik zoals de Vader Mij heeft gezegd.”
13:1 Voor het feest van Pascha wist Jezus dat zijn uur kwam dat Hij uit deze wereld zou vertrekken naar de Vader. En van degenen van wie Hij hield, degenen die bij Hem hoorden in de wereld, bleef Hij houden tot het einde. 2 Ze waren begonnen met de avondmaaltijd. De duivel had toen al het hart van Judas Iskariot beïnvloed om Hem te verraden. 3 Jezus wist dat de Vader Hem alles in handen had gegeven en dat Hij van God was gekomen en naar God ging. 4 En Hij stond op van de maaltijd. Hij legde zijn mantel weg en pakte een doek en deed die om zijn middel. 5 Hij deed water in een waskom en begon de voeten van de leerlingen te wassen en af te drogen met de doek waar Hij mee omgord was. 6 Toen Hij bij Petrus kwam zei hij: “Heer, wast U mijn voeten?” 7 Jezus antwoordde hem: “Je weet nu niet wat Ik doe, maar later zal je het begrijpen.” 8 Petrus zei tegen Hem: “U zult mijn voeten nooit wassen.” Jezus antwoordde: “Als Ik jou niet was, heb je geen deel bij Mij.” 9 Toen zei Petrus tegen Hem: “Heer, niet alleen mijn voeten, maar ook mijn handen en mijn hoofd.” 10 Jezus zei tegen hem: “Wie zich gebaad heeft, hoeft alleen maar de voeten te wassen, want hij is helemaal rein. En jullie zijn rein, maar niet allemaal.” 11 Want Hij wist wie Hem zou verraden, daarom zei Hij: ‘Jullie zijn niet allemaal rein.’ 12 Toen Hij hun voeten gewassen had, deed Hij zijn mantel weer aan en lag aan. Toen zei Hij: “Begrijpen jullie wat Ik heb gedaan? 13 Jullie noemen Mij leraar en Heer, en dat is correct, want dat ben Ik ook. 14 Als Ik dan, de leraar en Heer, jullie voeten gewassen heb, zijn jullie verplicht elkaars voeten te wassen. 15 Ik gaf jullie een voorbeeld, zodat jullie zouden doen zoals Ik deed. 16 Vast en zeker, Ik zeg jullie: Een slaaf is niet groter dan zijn heer en een zendeling is niet groter dan degene die hem stuurt. 17 Als jullie dit weten, gelukkig ben je als je het ook doet. 18 Ik spreek niet over jullie allemaal, want Ik weet wie Ik heb uitgekozen, maar om het Geschrift uit te laten komen: Die mijn brood eet, heeft zijn hiel tegen Mij opgetild. 19 Maar Ik zeg het jullie nu voordat het gebeurt, zodat wanneer het gebeurt, jullie geloven dat Ik het ben. 20 Volstrekt zeker, Ik zeg jullie: Wie aanvaardt wie Ik ook stuur, aanvaardt Mij, en wie Mij aanvaardt, aanvaardt degene die Mij gestuurd heeft.”
21 Toen Hij dat gezegd had werd Jezus verontrust in zijn geest en getuigde: “Heel zeker, Ik zeg jullie: Eén van jullie zal Mij verraden.” 22 De leerlingen keken naar elkaar en waren ermee verlegen over wie Hij dat zei. 23 En één van de leerlingen waar Jezus van hield, lag bij de borst van Jezus. 24 Simon Petrus gaf hem een wenk om te weten te komen over wie het werd gezegd. 25 Toen zei degene die aanlag bij de borst van Jezus: “Heer, wie is het?” 26 Jezus antwoordde: “Voor wie Ik een stukje eten zal indopen en aan hem geven, die is het.” Toen doopte Hij een stukje eten en gaf het aan Judas, de zoon van Simon Iskariot. 27 En na dat stukje eten kwam de satan in hem. En Jezus zei tegen hem: “Wat je doet, doe het snel.” 28 Maar niemand van degenen die aan tafel aanlagen, wist waarom Hij dat zei. 29 Sommigen dachten dat omdat Judas de beurs beheerde, Jezus tegen hem zei de benodigdheden voor het feest te kopen of wat aan de armen te geven. 30 Hij nam dus het stukje eten en ging naar buiten. En het was nacht.
31 Toen hij naar buiten gegaan was zei Jezus: “Nu is de Mensenzoon verheerlijkt en God is door Hem verheerlijkt. 32 En als God door Hem verheerlijkt is, zal God Hem ook verheerlijken in Hemzelf, en Hij zal Hem direct verheerlijken. 33 Kinderen, nog maar weinig tijd ben Ik bij jullie en zoals Ik de Judeërs heb gezegd: Jullie zullen Mij zoeken, omdat waar Ik heenga jullie niet kunnen komen, zo zeg Ik het nu weer. 34 Een nieuw gebod geef Ik jullie: Dat jullie van elkaar houden. Dat zoals Ik van jullie hield, jullie ook van elkaar houden. 35 Hieraan zal iedereen weten dat jullie mijn leerlingen zijn, als jullie van elkaar houden.” 36 Simon Petrus zei tegen Hem: “Heer, waar gaat U heen?” Jezus antwoordde hem: “Waar Ik heenga kun je Me nu niet volgen, maar je zal Me later volgen.” 37 Petrus zei tegen Hem: “Waarom kan ik U nu niet volgen? Ik zal mijn leven voor U inzetten.” 38 Jezus antwoordde: “Zal je je leven voor Mij inzetten? Zeker, zeker, Ik je zeg: De haan zal niet kraaien, voordat je Mij drie keer hebt verloochend.
14:1 Laat jullie hart niet onrustig worden. Jullie geloven in God, geloof ook in Mij. 2 In het huis van mijn Vader zijn veel woningen. Als het anders was zou Ik het jullie gezegd hebben. Want Ik ga voor jullie een plaats klaarmaken. 3 En als Ik ben weggegaan en een plaats voor jullie heb klaargemaakt, dan kom Ik terug en zal jullie met Me meenemen, zodat jullie zullen zijn waar Ik ben. 4 En jullie weten de weg naar waar Ik naartoe ga.” 5 Thomas zei: “Heer, wij weten niet waar U naartoe gaat, hoe kunnen we dan de weg weten?” 6 Jezus zei tegen hem: “Ik ben de weg, de waarheid en het leven. Niemand komt bij de Vader, dan alleen door Mij. 7 Als jullie Mij kenden, zouden jullie ook de Vader kennen. Van nu af kennen jullie Hem en hebben jullie Hem gezien.” 8 Filippus zei tegen Hem: “Heer, laat ons de Vader zien. Dat is voor ons voldoende.” 9 Jezus zei tegen hem: “Ik ben al zo lang bij jullie, en ken je Mij niet, Filippus? Wie Mij heeft gezien, heeft de Vader gezien. Waarom zeg je dan: Laat ons de Vader zien? 10 Geloof je niet dat Ik in de Vader ben en de Vader in Mij is? De woorden die Ik spreek zeg Ik niet uit mijzelf, maar de Vader die in Mij blijft, die doet de daden. 11 Geloof Mij dat Ik in de Vader ben en dat de Vader in Mij is, en zo niet, geloof dan door de daden zelf. 12 Vast en zeker, Ik zeg jullie: Wie in Mij gelooft, de daden die Ik doe zal hij ook doen en hij zal grotere dan deze doen, omdat Ik naar de Vader ga. 13 En wat jullie ook in mijn naam zullen vragen, dat zal Ik doen, zodat de Vader in de Zoon verheerlijkt wordt. 14 Wat jullie Mij zullen vragen in mijn naam, zal Ik doen.
15 Als jullie van Mij houden zullen jullie mijn geboden bewaren. 16 En Ik zal de Vader vragen en Hij zal jullie een andere Helper geven, die voor altijd bij jullie zal zijn, 17 namelijk de Geest van de waarheid die de wereld niet kan ontvangen, want die ziet Hem niet en kent Hem niet, maar jullie kennen Hem omdat Hij bij jullie blijft en in jullie zal zijn. 18 Ik zal jullie niet als wezen achterlaten, Ik kom naar jullie toe. 19 Nog even en de wereld ziet Mij niet meer, maar jullie zien Mij. Omdat Ik leef zullen jullie leven. 20 Op die dag zullen jullie weten dat de Vader in Mij is en jullie in Mij en Ik in jullie. 21 Wie mijn geboden heeft en bewaart, die is het die van Mij houdt. En wie van Mij houdt zal door mijn Vader geliefd zijn, en Ik zal van hem houden en mijzelf aan hem openbaren.” 22 Judas - niet Iskariot - zei tegen Hem: “Waarom is het zo dat U zich aan ons zult openbaren, maar niet aan de wereld?” 23 Jezus antwoordde hem: “Wie van Mij houdt zal mijn woord bewaren en mijn Vader zal van hem houden en Wij zullen naar hem toegaan en bij hem gaan wonen. 24 Wie niet van Mij houdt bewaart mijn woorden niet. En het woord dat jullie horen is niet van mijzelf maar van de Vader, die Mij stuurt. 25 Ik heb jullie dit gezegd terwijl Ik nog bij jullie was. 26 Maar, de Helper, de Heilige Geest, die de Vader namens Mij zal sturen, zal jullie in alles onderwijzen en zorgen dat jullie je alles herinneren wat Ik jullie gezegd heb. 27 Ik laat vrede bij jullie achter, Ik geef jullie mijn vrede. Ik geef jullie die niet zoals de wereld die geeft. Laat je hart niet onrustig worden en wees niet bang. 28 Jullie hebben gehoord dat Ik tegen jullie zei: ‘Ik ga heen en kom weer naar jullie terug.’ Als jullie van Mij hielden, zouden jullie blij zijn dat Ik naar de Vader ga, want de Vader is groter dan Ik. 29 Ik heb het nu gezegd voordat het gebeurt, zodat jullie wanneer het gebeurt zullen geloven. 30 Ik zal niet veel meer tegen jullie zeggen, want de heerser van deze wereld komt, en hij heeft niets met Mij. 31 Maar het is de bedoeling dat de wereld weet dat Ik van de Vader houd en doe wat de Vader Mij opdraagt. Laten we opstaan en hier vandaan gaan.
15:1 Ik ben de echte wijnstok en mijn Vader is de landbouwer. 2 Elke rank in Mij die geen vrucht draagt, neemt Hij weg en elke rank die vrucht draagt, reinigt Hij zodat die meer vrucht draagt. 3 Jullie zijn al rein door het woord dat Ik tegen jullie gezegd heb. 4 Blijf in Mij zoals Ik in jullie. Zoals de rank uit zichzelf geen vrucht draagt als hij niet in de wijnstok blijft, zo ook jullie niet als jullie niet in Mij blijven. 5 Ik ben de wijnstok, jullie zijn de ranken. Wie in Mij blijft zoals Ik in hem, die brengt veel vrucht voort. Zonder Mij kunnen jullie niets doen. 6 Wie niet in Mij blijft wordt weggeworpen zoals een rank en verdroogt. Ze worden verzameld, in het vuur geworpen en verbrand. 7 Als jullie in Mij blijven en mijn woorden in jullie blijven, dan zullen jullie vragen wat je wilt en het zal voor jullie gebeuren. 8 De Vader ontvangt glorie als jullie veel vrucht dragen en mijn leerlingen zijn.
9 Zoals de Vader van Mij houdt heb Ik ook van jullie gehouden. Blijf in mijn liefde. 10 Als jullie mijn geboden bewaren zullen jullie in mijn liefde blijven, zoals Ik de geboden van mijn Vader bewaar en in zijn liefde blijf. 11 Dit heb Ik jullie gezegd zodat mijn blijdschap in jullie zou zijn en dat jullie blijdschap compleet wordt. 12 Dit is mijn gebod: Dat jullie van elkaar houden zoals Ik van jullie houd. 13 Niemand heeft grotere liefde dan wie zijn leven inzet voor zijn vrienden. 14 Jullie zijn mijn vrienden als jullie doen wat Ik jullie opdraag. 15 Ik noem jullie geen slaven meer, want de slaaf weet niet wat zijn heer doet. Maar jullie noem Ik vrienden omdat Ik alles wat Ik van de Vader gehoord heb aan jullie bekend heb gemaakt. 16 Jullie kozen Mij niet uit, maar Ik koos jullie uit. Ik heb jullie aangesteld om op weg te gaan en vrucht voort te brengen en dat jullie vrucht zou blijven, zodat de Vader jullie geeft wat je ook vraagt in mijn naam. 17 Dit is wat Ik jullie opdraag: Dat jullie van elkaar houden.
18 Als de wereld jullie haat, bedenk dan dat ze Mij eerst gehaat heeft. 19 Als jullie bij de wereld hoorden, zou de wereld houden van wie bij haar hoort. Omdat jullie niet bij de wereld horen, want Ik heb jullie uitgekozen uit de wereld, daarom haat de wereld jullie. 20 Denk aan de opmerking die Ik tegen jullie maakte: De slaaf is niet groter dan zijn heer. Als ze Mij vervolgden zullen ze jullie vervolgen, als ze mijn woord bewaarden zullen ze dat van jullie bewaren. 21 Maar ze zullen dit allemaal tegen jullie doen in verband met mijn naam, omdat ze Hem die Mij gestuurd heeft niet kennen. 22 Als Ik niet gekomen was en met hen gesproken had zouden ze geen zonde hebben, maar nu hebben ze geen excuus voor hun zonde. 23 Wie Mij haat, haat ook mijn Vader. 24 Als Ik bij hen niet de daden had gedaan die niemand anders doet, zouden ze geen zonde hebben. Maar nu hebben ze het gezien en zowel Mij als mijn Vader gehaat. 25 Maar zo komt het woord uit dat in hun wet staat opgeschreven: Ze hebben Mij zonder oorzaak gehaat. 26 Wanneer de Helper komt, die Ik van de Vader naar jullie toe zal sturen, de Geest van de waarheid die van de Vader komt, zal Hij van Mij getuigen. 27 En jullie zullen ook getuigen omdat jullie vanaf het begin bij Mij zijn geweest.
16:1 Dit heb Ik tegen jullie gezegd om te voorkomen dat jullie struikelen. 2 Ze zullen jullie uit de samenkomsten doen, maar er komt een tijd dat iedereen die jullie doodt denkt God daarmee een dienst te bewijzen. 3 Ze zullen dat doen omdat ze de Vader niet kennen, en Mij ook niet. 4 Maar Ik heb jullie dit gezegd zodat jullie je op dat moment zullen herinneren dat Ik het jullie gezegd heb. Ik heb het jullie niet vanaf het begin gezegd, omdat Ik bij jullie was.
5 Ik ga nu naar degene die Mij gestuurd heeft, en niemand van jullie vraagt: ‘Waar gaat U naartoe?’ 6 Maar omdat Ik het gezegd heb is jullie hart vol verdriet. 7 Toch is het echt zo dat het beter voor jullie is dat Ik wegga. Want als Ik niet wegga, kan de Helper niet naar jullie toe komen. Wanneer Ik ben weggegaan, zal Ik Hem naar jullie toesturen. 8 Wanneer Hij komt, zal Hij de wereld zijn ongelijk tonen wat betreft zonde, rechtvaardigheid en oordeel. 9 Wat betreft zonde, omdat ze niet in Mij geloven. 10 Wat betreft rechtvaardigheid, omdat Ik naar de Vader ga, en jullie Mij dan niet meer zien. 11 Wat betreft oordeel, omdat de leider van deze wereld geoordeeld is. 12 Ik heb jullie nog veel te vertellen, maar jullie kunnen het nu niet dragen. 13 Wanneer de Geest van waarheid komt zal Hij jullie in alle waarheid leiden. Hij zal niet uit zichzelf spreken, maar wat Hij zal horen, dat zal Hij zeggen, en Hij zal jullie de toekomstige dingen vertellen. 14 Hij zal Mij verheerlijken, want Hij neemt uit wat van Mij is, en vertelt het aan jullie. 15 Alles wat de Vader heeft is van Mij. Daarom zei Ik dat Hij neemt uit wat van Mij is, en het aan jullie vertelt.
16 Nog even en jullie zien Mij niet meer, en nog even en jullie zullen Mij zien.” 17 Een van zijn leerlingen zei tegen de anderen: “Waarom zegt Hij tegen ons: ‘Nog even, en jullie zien Mij niet, en nog even, en jullie zien Mij, en Ik ga naar de Vader’?” 18 En ze zeiden: “Wat bedoelt Hij met: nog even? We begrijpen niet wat Hij zegt.” 19 Jezus wist dat ze Hem een vraag wilden stellen, en Hij zei tegen hen: “Discussiëren jullie met elkaar erover dat Ik zei: ‘Nog even en jullie zien Mij niet, en nog even en jullie zullen Mij zien’? 20 Zeker, zeker, Ik zeg jullie dat jullie zullen huilen en klagen, maar de wereld zal blij zijn. Jullie zullen bedroefd zijn, maar jullie droefheid zal veranderen in blijdschap. 21 Als een vrouw baart heeft ze pijn, omdat haar moment is gekomen. Maar als het kind geboren is, herinnert ze zich de pijn niet meer omdat ze zo blij is dat er een mens in de wereld geboren is. 22 Nu hebben jullie inderdaad pijn, maar Ik zal jullie nog een keer zien en dan zal jullie hart blij zijn. En jullie blijdschap zal niet bij jullie weggaan.
23 Op die dag zullen jullie niets aan Mij vragen. Zeker, zeker, Ik zeg jullie: Wat jullie de Vader vragen in mijn naam, zal Hij aan jullie geven. 24 Tot nu toe hebben jullie niets in mijn naam gevraagd. Vraag en jullie zullen ontvangen, zodat jullie blijdschap volkomen is. 25 Ik heb jullie dat in beeldspraak verteld. Er komt een tijd dat Ik niet in beeldspraak met jullie zal praten, maar openhartig over de Vader aan jullie zal vertellen. 26 Op die dag zullen jullie in mijn naam vragen, en Ik zeg jullie niet dat Ik het voor jullie aan de Vader zal vragen. 27 Want de Vader houdt van jullie, omdat jullie van Mij houden en geloven dat Ik van de Vader ben gekomen. 28 Ik vertrok van de Vader en kwam in de wereld. Ik verlaat de wereld weer en ga naar de Vader.” 29 Zijn leerlingen zeiden: “Kijk, nu praat U openhartig en zonder beeldspraak. 30 Nu weten we dat U alles weet, en dat het voor U niet nodig is dat iemand U vragen stelt. Daarom geloven we dat U van God bent gekomen.” 31 Jezus zei daarop tegen hen: “Geloven jullie nu? 32 Kijk, de tijd komt en is gekomen dat jullie verspreid zullen raken, allemaal naar jullie eigen huis, en jullie zullen Mij achterlaten. Ik ben niet alleen, want de Vader is bij Mij. 33 Ik heb het jullie gezegd, zodat jullie vrede in Mij zouden hebben. In de wereld hebben jullie moeilijkheden, maar heb goede moed. Ik heb de wereld overwonnen.”
17:1 Nadat Jezus dit had gezegd, richtte Hij zijn ogen naar de hemel en zei: “Vader, het moment is gekomen. Verheerlijk uw Zoon, zodat de Zoon in U verheerlijkt wordt, 2 zoals U Hem macht hebt gegeven over alle mensen, om aan iedereen die U Hem hebt gegeven eeuwig leven te geven. 3 Dit is het eeuwige leven, dat ze U kennen, de enige ware God, en Jezus de Gezalfde die U hebt gestuurd. 4 Ik heb U op aarde verheerlijkt, door de taak uit te voeren die U Mij hebt gegeven. 5 En nu, verheerlijk Mij, Vader, bij uzelf, met de glorie die Ik had toen Ik bij U was voordat de wereld bestond. 6 Ik heb uw naam laten zien aan de mensen in de wereld die U aan Mij hebt gegeven. Ze waren van U, en U gaf ze aan Mij. En ze hebben uw woord bewaard. 7 Nu weten ze dat alles wat U aan Mij gegeven hebt, van U komt. 8 Want de woorden die U aan Mij gegeven hebt, heb Ik aan hun doorgegeven. En ze hebben ze ontvangen en weten echt dat Ik van U kwam, en ze geloven dat U Mij gestuurd heeft. 9 Ik bid voor hen. Ik bid niet voor de wereld, maar voor degenen die U aan Mij gegeven hebt, want ze zijn van U. 10 Alles wat van Mij is, is van U, en wat van U is, is van Mij. Ik ben in hen verheerlijkt. 11 Ik ben niet meer in de wereld. Zij zijn in de wereld, en Ik kom naar U toe, heilige Vader. Bewaar ze in uw naam die U aan Mij gegeven hebt, zodat ze één zijn zoals Wij. 12 Toen Ik bij hen was, bewaarde Ik ze in uw naam die U aan Mij hebt gegeven. Ik heb beschermd en niemand van hen is verloren gegaan, behalve de zoon van het verderf, zodat het Geschrift is uitgekomen. 13 Ik kom nu naar U toe. Ik zeg deze dingen op aarde zodat ze in zichzelf vol van mijn blijdschap worden. 14 Ik heb uw woord aan hen doorgegeven. De wereld haatte hen, omdat ze niet bij het wereld horen, zoals Ik niet bij het wereld hoor. 15 Ik vraag niet dat U ze wegneemt uit de wereld, maar dat U ze bewaart voor wat slecht is. 16 Ze horen niet bij de wereld, zoals Ik niet bij de wereld hoor. 17 Heilig hen in uw waarheid. Uw woord is waarheid. 18 Zoals U Mij naar de wereld gestuurd hebt, stuur ook Ik hen naar de wereld. 19 Voor hen heilig Ik mijzelf, zodat zij ook geheiligd worden in de waarheid. 20 Ik vraag dat niet alleen voor deze hier, maar ook voor degenen die door hun woord in Mij geloven, 21 dat ze allemaal één zullen zijn, zoals U, Vader, in Mij bent, en Ik in U ben, dat zij ook zo in Ons zijn, zodat de wereld gelooft dat U Mij gestuurd hebt. 22 Ik heb de glorie die U aan Mij hebt gegeven aan hen gegeven, zodat ze één zijn zoals Wij één zijn, 23 Ik in hen, en U in Mij, zodat ze volkomen één zijn, zodat de wereld weet dat U Mij gestuurd hebt. U houdt van hen, zoals U van Mij houdt. 24 Vader, Ik wil dat wie U Mij hebt gegeven ook daar zullen zijn waar Ik ben, samen met Mij, zodat ze mijn glorie zien die U aan Mij hebt gegeven, want U hield van Mij voordat de wereld gefundeerd werd. 25 Rechtvaardige Vader, de wereld kende U niet, maar Ik kende U, en deze hier weten dat U Mij gestuurd hebt. 26 Ik heb uw naam aan hen bekend gemaakt, en Ik zal bekend maken, zodat de liefde waarmee U van Mij houdt in hen zal zijn, en Ik in hen.”
18:1 Nadat Jezus dit had gezegd, ging Hij samen met zijn leerlingen naar de andere kant van de beek Kedron. Daar was een tuin, en Hij en zijn leerlingen gingen daar in. 2 Ook Judas, die Hem zou overleveren, kende die plaats, want Jezus en zijn leerlingen kwamen daar vaak samen. 3 Judas had de legerafdeling meegenomen, en beambten van de hoofdpriesters en de Farizeeën. Ze kwamen daar aan met fakkels, olielampen en wapens. 4 Jezus wist alles wat er met Hem zou gebeuren. Hij stapte naar voren en zei tegen hen: “Wie zoeken jullie?” 5 Ze antwoordden Hem: “Jezus, de Nazoreeër.” Hij zei tegen hen: “Ik ben het.” Judas die Hem overleverde stond ook bij hen. 6 Toen Jezus tegen hen zei: “Ik ben het” deinsden ze terug en vielen op de grond. 7 Hij vroeg hun nog een keer: “Wie zoeken jullie?” Ze zeiden tegen Hem: “Jezus, de Nazoreeër.” 8 Jezus antwoordde: “Ik heb jullie gezegd dat Ik het ben. Als jullie Mij zoeken, laat hen dan gaan.” 9 Dit gebeurde om de opmerking te laten uitkomen die Hij had gemaakt: “Van degenen die U aan Mij hebt gegeven heb Ik niemand verloren laten gaan.” 10 Simon Petrus had een zwaard bij zich. Hij trok het, en sloeg de dienaar van de hogepriester, en hieuw zijn rechteroor eraf. De naam van de dienaar was Malchus. 11 Jezus zei tegen Petrus: “Steek het zwaard terug in de schede. Zou ik de beker die de Vader aan Mij geeft niet drinken?” 12 De legerafdeling en de hoofdman over duizend en de beambten van de Judeërs pakten Jezus en bonden Hem vast.
13 Ze brachten Hem eerst naar Annas omdat hij de schoonvader van Kajafas was, de hogepriester van dat jaar. 14 Kajafas was degene die de Judeërs had geadviseerd dat het beter was dat één persoon sterft, dan dat het volk omkomt. 15 Simon Petrus volgde Jezus, samen met een andere leerling. Die andere leerling was bekend bij de hogepriester. Hij ging met Jezus de binnenplaats van de hogepriester op. 16 Petrus stond buiten bij de deur. De andere leerling die bekend was bij de hogepriester kwam naar buiten en praatte met de deurwachter, en bracht Petrus naar binnen. 17 Het dienstmeisje van de deurwachter zei tegen Petrus: “Ben jij ook niet een van de leerlingen van die man?” Hij zei: “Dat ben ik niet.” 18 De dienaren en de beambten die daar stonden hadden een kolenvuur gemaakt omdat het koud was, en ze warmden zich. Ook Petrus stond er bij en warmde zich. 19 De hogepriester vroeg aan Jezus naar zijn leerlingen en naar zijn onderwijs. 20 Jezus antwoordde hem: “Ik heb openlijk met de wereld gesproken. Ik heb altijd onderwezen in een samenkomst en in de tempel, daar waar alle Judeërs samenkomen. Ik heb niets verborgen gezegd. 21 Waarom vraagt u het aan Mij? Vraag het aan degenen voor wie Ik gesproken heb. Kijk, zij weten wat Ik heb gezegd.” 22 Toen Hij dit zei, gaf een van de beambten die erbij stond Jezus een klap, en zei: “Antwoord Je zo de hogepriester?” 23 Jezus antwoordde hem: “Als Ik slecht heb gedaan, getuig wat er slecht was. Als het goed was, waarom sla je Mij?” 24 Vervolgens stuurde Annas Hem gebonden naar Kajafas de hogepriester. 25 En Simon Petrus was daar en stond zich te warmen. Ze zeiden tegen hem: “Ben jij niet een van zijn leerlingen?” Hij ontkende het en zei: “Dat ben ik niet.” 26 Een van de dienaren van de hogepriester, die er bij was toen Petrus het oor eraf hieuw, zei: “Heb ik jou niet in de tuin bij Hem gezien?” 27 Petrus ontkende het opnieuw, en meteen kraaide een haan.
28 Ze leidden Jezus van Kajafas naar het praetorium. Het was ochtend. Ze gingen het praetorium niet binnen om niet verontreinigd te worden en het pascha te kunnen eten. 29 Pilatus kwam naar buiten naar hen toe, en zei: “Wat is de beschuldiging die jullie tegen deze persoon inbrengen?” 30 Ze antwoordde hem: “Als Hij niet slecht deed, zouden we Hem niet aan u overleveren.” 31 Pilatus zei tegen hen: “Neem Hem mee, en oordeel Hem volgens jullie wet.” Ze zeiden tegen hem: “Wij, Judeërs, mogen niemand doden.” 32 Dit gebeurde om het woord van Jezus uit te laten komen, dat Hij had gezegd welke dood Hij zou sterven. 33 Pilatus ging opnieuw naar het pretorium en riep Jezus, en zei tegen Hem: “U bent de koning van de Judeërs?” 34 Jezus antwoordde: “Zegt u dit uit uzelf of hebben anderen dat over Mij gezegd?” 35 Pilatus antwoordde: “Ik ben geen Judeër. Uw volk en uw hoofdpriesters hebben U aan mij overgeleverd. Wat hebt U gedaan?” 36 Jezus antwoordde: “Mijn koninkrijk is niet van deze wereld. Als mijn koninkrijk van deze wereld zou zijn, zouden mijn beambten voor Mij gestreden hebben, zodat Ik niet aan de Judeërs zou zijn overgeleverd. Mijn koninkrijk is op dit moment niet hier.” 37 Pilatus zei tegen Hem: “U bent dus toch een koning?” Jezus antwoordde: “U zegt dat Ik een koning ben. De reden dat Ik geboren ben, en in de wereld gekomen ben, is om de waarheid te getuigen. Iedereen die voor de waarheid is, luistert naar mijn stem.” 38 Pilatus zei tegen Hem: “Wat is waarheid?” En nadat hij dat had gezegd, ging hij opnieuw naar buiten naar de Judeërs en zei tegen hen: “Ik heb bij Hem geen schuld ontdekt. 39 Maar het is de gewoonte om iemand voor jullie vrij te laten op het pascha. Wie willen jullie dat ik vrij laat? De koning van de Judeërs?” 40 Ze riepen opnieuw: “Niet Hem, maar Barabbas!” Barabbas was een rover.
19:1 Toen nam Pilatus Jezus mee en geselde Hem. 2 De soldaten vlochten een kroon met dorens, en zetten die op zijn hoofd. Ze deden Hem een purperen mantel om. 3 Ze gingen naar Hem toe en zeiden: “Goedendag, koning van de Judeërs.” En ze sloegen Hem. 4 Pilatus kwam opnieuw naar buiten en zei tegen hen: “Kijk, ik breng Hem buiten naar jullie, zodat jullie weten dat ik geen schuld bij Hem heb ontdekt.” 5 Jezus kwam naar buiten terwijl Hij de kroon met dorens droeg. En hij zei tegen hen: “Kijk naar deze man.” 6 Toen de hoofdpriesters en de beambten Hem zagen, schreeuwden ze: “Kruisig, kruisig!” Pilatus zei tegen hen: “Neem Hem mee en kruisig, want ik heb bij Hem geen schuld ontdekt.” 7 Ze antwoordden hem: “Wij, Judeërs hebben een wet, en volgens die wet hoort Hij te sterven, omdat Hij zichzelf Gods Zoon maakt.” 8 Toen Pilatus dat hoorde maakte het hem juist bang. 9 En hij ging opnieuw naar het praetorium, en zei tegen Jezus: “Waar komt U vandaan?” Maar Jezus gaf hem geen antwoord. 10 Pilatus zei tegen Hem: “Praat U niet met mij? Weet U niet dat het in mijn macht is om U los te laten of te kruisigen?” 11 Jezus antwoordde hem: “U zou geen macht hebben als dat niet van boven aan u gegeven was. Daarom hebben degenen die Mij aan u overleveren een grotere zonde.” 12 Hierna probeerde Pilatus Hem los te laten, maar de Judeërs schreeuwden: “Als u Hem loslaat, bent u geen vriend van Caesar. Iedereen die zichzelf koning maakt, is tegen Caesar.” 13 Pilatus hoorde deze dingen aan en nam Jezus mee naar buiten. En hij ging zitten op de stoel van de rechtspraak. Die plaats wordt Lithostroton genoemd, en in het Hebreeuws Gabbatha. 14 Het was de voorbereiding van het Pascha, op ongeveer het zesde uur. En hij zei tegen de Judeërs: “Kijk, jullie koning.” 15 Zij riepen: “Neem weg, neem weg, kruisig Hem!” Pilatus zei tegen hen: “Zal ik jullie koning kruisigen?” De hoofdpriesters antwoordden: “We hebben geen koning behalve Caesar.” 16 Toen gaf hij Hem aan hen over om Hem te kruisigen.
Ze namen Jezus mee, 17 en Hij droeg zelf het kruis. En ze kwamen bij wat de schedelplaats wordt genoemd. In het Hebreeuws heet het Golgotha. 18 Daar kruisigden ze Hem, en samen met Hem twee anderen, aan beide kanten één, en Jezus in het midden. 19 Pilatus schreef ook een titel en bevestigde die op het kruis. Er was op geschreven: “Jezus, de Nazoreeër, de koning van de Judeërs.” 20 Veel Judeërs lazen deze titel omdat de stad dicht bij de plaats lag waar Jezus gekruisigd werd. Het was geschreven in het Hebreeuws, in het Romeins en in het Grieks. 21 De Judese hoofdpriesters zeiden tegen Pilatus: “Schrijf niet: ‘De koning van de Judeërs’, maar dat Hij zei: ‘Ik ben de koning van de Judeërs.’ ” 22 Pilatus antwoordde: “Wat ik heb geschreven, heb ik geschreven.” 23 Toen de soldaten Jezus kruisigden pakten ze zijn kleding, en maakte vier delen, voor elke soldaat een deel, en het hemd. Het hemd had geen naad; het was als een stuk geweven. 24 Ze zeiden tegen elkaar: “Laten we het niet scheuren, maar laten we loten voor wie het zal zijn.” Hierdoor kwam het Geschrift uit waarin staat: “Ze hebben mijn kleding onder elkaar verdeeld, en over mijn kleding het lot geworpen.” Dat is wat de soldaten deden. 25 Naast het kruis van Jezus stond zijn moeder, de zus van zijn moeder, Maria van Klopas en Maria Magdalena. 26 Jezus zag zijn moeder en de leerling die er naast stond, van wie Hij hield, en Hij zei tegen zijn moeder: “Mevrouw, kijk, uw zoon.” 27 Daarna zei hij tegen de leerling: “Kijk, uw moeder.” Vanaf die tijd nam de leerling haar op in zijn huis.
28 Hierna, toen Jezus zag dat alles nu voltooid was, zei Hij om het Geschrift te laten uitkomen: “Ik heb dorst.” 29 Er lag een kruik vol met azijn. Ze pakten een spons doordrongen van azijn met hysop, en droegen die naar zijn mond. 30 Toen Hij van het azijn had genomen zei Jezus: “Het is voltooid.” En Hij boog zijn hoofd, en gaf de geest.
31 Omdat het de voorbereiding was, en om de lichamen niet op sabbat aan het kruis te laten blijven, want het was een grote sabbat, vroegen de Judeërs aan Pilatus om de benen te breken en ze weg te halen. 32 De soldaten gingen en braken van de eerste de benen, en van de andere die met Hem gekruisigd was. 33 Maar toen ze bij Jezus kwamen, zagen ze dat Hij al gestorven was. En ze braken zijn benen niet. 34 Maar een van de soldaten stak een speerpunt in zijn zij, en meteen kwam er bloed en water uit. 35 En degene die het gezien heeft, heeft ervan getuigd, en zijn getuigenis is waar. Hij weet dat het waar is wat hij zegt, zodat jullie ook zouden geloven. 36 Deze dingen zijn gebeurd om het geschrift te laten uitkomen: ‘Geen van zijn beenderen zal verbroken worden.’ 37 En opnieuw in een ander geschrift staat: ‘Ze zullen Hem zien die ze doorstoken hebben.’
38 Hierna deed Jozef van Arimathea een verzoek aan Pilatus. Hij was een leerling van Jezus, maar verborgen uit angst voor de Judeërs. Hij vroeg om het lichaam van Jezus weg te mogen nemen. Pilatus stond het toe, dus hij ging en nam zijn lichaam weg. 39 Ook Nicodemus, die ’s nachts naar Hem toe was gegaan, kwam en bracht een mengsel van ongeveer honderd litra mirre en aloë mee. 40 Ze namen het lichaam van Jezus en omwonden het met doeken met specerijen, zoals de gewoonte is van Judeërs bij een begrafenis. 41 Bij de plaats waar Hij gekruisigd was, was een tuin, en in die tuin was een nieuw graf waar nog nooit iemand was geplaatst. 42 Vanwege de voorbereiding van de Judeërs, en omdat dat graf dichtbij was, plaatsten ze Jezus daar.
20:1 Vroeg op de eerste dag van de week, toen het nog donker was, ging Maria Magdalena naar het graf. Ze zag dat de steen uit het graf was weggehaald. 2 Ze rende en kwam bij Simon Petrus en bij de andere leerling waar Jezus van hield, en ze zei tegen hen: “Ze hebben de Heer uit het graf weggehaald, en we weten niet waar ze Hem hebben neergezet.” 3 Toen ging Petrus en de andere leerling op weg, en ze kwamen bij het graf. 4 De twee renden samen. De andere leerling rende vooruit, want hij was sneller dan Petrus. En hij kwam het eerst bij het graf. 5 En hij boog voorover en zag doeken liggen, maar hij ging niet naar binnen. 6 Simon Petrus kwam ook na hem aan, en hij ging het graf binnen en zag de doeken liggen. 7 De zweetdoek die op zijn hoofd had gelegen lag niet bij de doeken, maar was op een aparte plaats opgerold. 8 Toen kwam ook de andere leerling naar binnen die het eerste bij het graf was aangekomen. En hij zag het en geloofde. 9 Want ze hadden het Geschrift dat Hij uit de doden moest opstaan nog niet begrepen. 10 Ze gingen weer terug naar de leerlingen.
11 Maria stond buiten bij het graf te huilen. En terwijl ze aan het huilen was, keek ze in het graf. 12 Ze zag twee engelen in het wit. Een ervan zat aan het hoofdeinde, en de andere aan het voeteneinde, op de plaats waar het lichaam van Jezus gelegen had. 13 En ze zeiden tegen haar: “Mevrouw, waarom huilt u?” Ze zei tegen hen: “Ze hebben mijn Heer van mij weggenomen, en ik weet niet waar ze Hem geplaatst hebben.” 14 Nadat ze dat had gezegd, draaide ze zich om naar achteren en zag Jezus daar staan. En ze zag niet dat het Jezus was. 15 Jezus zei tegen haar: “Mevrouw, waarom huilt u? Wie zoekt u?” Ze dacht dat het tuinman was, en zei tegen Hem: “Meneer, als U Hem hebt weggedragen, zeg me dan waar U Hem hebt geplaatst, dan zal ik Hem wegdragen.” 16 Jezus zei tegen haar: “Maria!” Ze keerde zich om en zei tegen Hem in het Hebreeuws: “Rabboeni”, dat betekent “Meester”. 17 Jezus zei tegen haar: “Raak Me niet aan, want Ik ben nog niet omhoog gegaan naar mijn Vader. Ga naar mijn broers, en zeg tegen hen: ‘Ik ga omhoog naar mijn Vader en jullie Vader, en naar mijn God en jullie God.’ ” 18 Maria Magdalena ging en berichtte aan de leerlingen: ‘Ik heb de Heer gezien’ en wat Hij tegen haar gezegd had.
19 ’s Avonds die dag, op de eerste dag van de week, waren de leerlingen achter gesloten deuren, omdat ze bang waren voor de Judeërs. Toen kwam Jezus, en Hij stond midden tussen hen, en zei tegen hen: “Vrede voor jullie.” 20 Nadat Hij dat had gezegd, liet Hij hun zijn handen en zijn zij zien. De leerlingen waren blij dat ze de Heer zagen. 21 Jezus zei opnieuw tegen hen: “Vrede voor jullie. Zoals de Vader Mij gestuurd heeft, stuur ook Ik jullie.” 22 Nadat Hij dit had gezegd, blies Hij en zei tegen hen: “Ontvang de Heilige Geest. 23 Als jullie iemand zijn zonden vergeven, zijn ze hem vergeven. Als jullie iemand [zijn zonden] toerekenen, zijn ze hem toegerekend.”
24 Thomas, een van de twaalf, die Didymus wordt genoemd, was niet bij hen toen Jezus kwam. 25 De andere leerlingen zeiden tegen hem: “We hebben de Heer gezien.” Maar hij zei tegen hen: “Als ik niet in zijn handen het litteken van de spijkers zie, en mijn vinger in het litteken van de spijkers steek, en mijn hand in zijn zij steek, zal ik zeker niet geloven.” 26 En na acht dagen waren zijn leerlingen opnieuw binnenshuis samen met Thomas. En Jezus kwam terwijl de deuren gesloten waren, en stond midden tussen hen en zei: “Vrede voor jullie.” 27 Daarna zei Hij tegen Thomas: “Breng je vinger hierheen, en kijk naar mijn handen, en breng je hand en steek die in mijn zij, en wees niet ongelovig, maar gelovig.” 28 Thomas antwoordde Hem: “Mijn Heer en mijn God!” 29 Jezus zei tegen hem: “Omdat je Mij hebt gezien, geloof je. Gelukkig zijn degenen die niet zien maar wel geloven.”
30 Jezus heeft inderdaad nog veel andere wondertekens voor de ogen van zijn leerlingen gedaan die in dit boek niet zijn beschreven. 31 Maar deze zijn beschreven zodat u zou geloven dat Jezus de Gezalfde is, de Zoon van God, en zodat wanneer u gelooft u het leven zou hebben in zijn naam.
21:1 Hierna liet Jezus zich opnieuw aan zijn leerlingen zien, bij het meer van Tiberias. Hij liet zich op deze manier zien: 2 Simon Petrus en Thomas, die Didymus wordt genoemd, en Nathanaël, die uit Kana in Galilea komt, en de zonen van Zebedeüs en twee van de andere leerlingen waren bij elkaar. 3 Simon Petrus zei tegen hen: “Ik ga vissen.” Zij zeiden tegen hem: “We gaan met je mee.” En ze vertrokken, en gingen in de boot. En in die nacht vingen ze niets. 4 Toen het ochtend was geworden stond Jezus op de oever, maar de leerlingen hadden niet gezien dat het Jezus was. 5 Toen zei Jezus tegen hen: “Kinderen, hebben jullie iets om te eten?” Ze antwoordden Hem: “Nee.” 6 Hij zei tegen hen: “Gooi het net uit aan de rechterkant van het schip, en je zal het vinden.” Toen gooiden ze het uit, en ze konden het niet meer binnenhalen door de grote hoeveelheid vissen. 7 De leerling waar Jezus veel van hield zei tegen Petrus: “Het is de Heer.” Toen Simon Petrus hoorde dat het de Heer was deed hij zijn mantel om, want hij was ongekleed, en sprong in het meer. 8 De andere leerlingen kwamen met het schip, want ze waren niet ver van het land, maar ongeveer honderd meter. En ze sleepten het net met de vissen mee. 9 Toen ze uitstapten op het land zagen ze brandende kolen liggen met daarop vis en brood. 10 Jezus zei tegen hen: “Haal wat van de vissen die jullie nu gevangen hebben.” 11 Simon Petrus stond op, en hij trok het net op het land. Het was vol met honderddrieënvijftig grote vissen. Hoewel het er zo veel waren, scheurde het net niet. 12 Jezus zei tegen hen: “Kom en eet.” Niemand van zijn leerlingen durfde Hem te vragen: “Wie bent U?” Ze wisten dat het de Heer was. 13 Jezus kwam en nam het brood en gaf het aan hun, en zo deed Hij ook met de vissen. 14 Dit was al de derde keer dat Jezus zich aan zijn leerlingen had laten zien, nadat Hij uit de doden was opgestaan.
15 Toen ze aan het eten waren, zei Jezus tegen Simon Petrus: “Simon, zoon van Johannes. Houd je echt van Mij, meer dan van hen?” Hij zei tegen Hem: “Ja, Heer. U weet dat ik van U houd.” Hij zei tegen hem: “Weid mijn lammeren.” 16 Hij zei opnieuw tegen hem: “Simon, zoon van Johannes. Houd je echt van Mij?” Hij zei tegen Hem: “Ja, Heer. U weet dat ik van U houd.” Hij zei tegen hem: “Zorg voor mijn schapen.” 17 Hij zei voor de derde keer tegen hem: “Simon, zoon van Johannes. Houd je van Mij?” Petrus werd verdrietig omdat Hij voor de derde keer tegen hem zei: ‘Houd je van Mij?’ En hij zei tegen Hem: “Heer, U weet alles. U weet dat ik van U houd.” Hij zei tegen hem: “Weid mijn schapen. 18 Het is absoluut zeker wat Ik tegen je zeg: Toen je jong was, deed je je gordel om, en je ging waar je heen wilde. Wanneer je oud bent zal je je handen uitstrekken en andere zullen je omgorden, en je brengen waar je niet naartoe wilt.” 19 Dit zei Hij om aan te geven met welke dood hij God zou verheerlijken. En nadat Hij dit gezegd had, zei Hij tegen hem: “Volg Mij.” 20 Petrus draaide zich om en zag de leerling volgen waar Jezus van hield, die tijdens de maaltijd bij Jezus’ borst lag, en had gezegd: ‘Heer, wie is het die U zal verraden?’ 21 Petrus zag hem, en zei tegen Jezus: “En hij dan?” 22 Jezus zei tegen hem: “Als Ik wil dat hij blijft totdat Ik kom, verandert dat iets voor jou? Je moet Mij volgen.” 23 Er deed toen een gerucht de ronde bij de broers dat die leerling niet zou sterven. Maar Jezus zei niet tegen hem: ‘Hij zal niet sterven’, maar: ‘Als Ik wil dat hij blijft totdat Ik kom.’ 24 Dit is de leerling die daarover getuigt, en die deze dingen schrijft, en we weten dat zijn getuigenis waar is.
25 Er zijn nog veel andere dingen die Jezus heeft gedaan. Als ze allemaal afzonderlijk beschreven zouden worden, zou er, denk ik, op aarde niet genoeg ruimte zijn voor de boeken die geschreven worden.
|
|
|